Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
4.De uitspraak
[appellante] ,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 4 mei 2017 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank had het verzoek van appellante afgewezen omdat niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Appellante voerde aan dat zij destijds in een precaire financiële situatie verkeerde en dat zij de verhoging van haar krediet bij de bank had gebruikt om bestaande schulden te voldoen. Ook stelde zij dat zij de terugvordering van een onterecht ontvangen WW-uitkering had ingelost en dat zij niet te kwader trouw was met betrekking tot fiscale schulden.
Het hof oordeelde dat appellante niet te goeder trouw was geweest in de genoemde periode, maar achtte op grond van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro (de hardheidsclausule) wel termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling toe te passen. Dit omdat zij haar financiële situatie inmiddels onder controle heeft, geen nieuwe schulden meer maakt, en actief werkt aan budgetbeheer en psychosociale begeleiding.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de schuldsaneringsregeling van toepassing. Tevens bepaalde het hof dat de griffier van het hof de griffier van de rechtbank Oost-Brabant op de hoogte brengt voor de benoeming van een rechter-commissaris en bewindvoerder.
Uitkomst: Het hof wijst ambtshalve de schuldsaneringsregeling toe op grond van artikel 288 lid 3 Fw vanwege beheersing van de financiële situatie door appellante.