Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €64.000, waaronder preferente en concurrente schulden aan de belastingdienst en het CJIB. De rechtbank wees het verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat veel schulden voortkwamen uit verkeersovertredingen tijdens een periode van overspannenheid en dat hij sinds februari 2015 onder beschermingsbewind staat. Hij betwistte ook het oordeel over het om niet overdragen van een auto aan zijn vader.
Het hof oordeelde dat appellant niet te goeder trouw was geweest, met name vanwege lichtvaardig handelen bij de overname van een restaurant zonder deugdelijke financiële onderbouwing. Ook achtte het hof onvoldoende aannemelijk dat appellant inzicht had in zijn financiële situatie en dat er een causaal verband bestond tussen zijn overspannenheid en de verkeersovertredingen.
De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had gekregen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende bewijs van te goeder trouw handelen.