Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Fyr B.V.,
5 Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/02/258035 / HA ZA 13-13)
6 Het geding in hoger beroep
7.De gronden van het hoger beroep
8.De beoordeling
ten tijde van het ondertekenen van de huurovereenkomst” niet een te bewijzen bestanddeel, zodat de curator in nr. 3.23 van de memorie van grieven ten onrechte aanvoert dat de rechtbank het probandum niet zo ruim zou mogen uitleggen dat hieronder mag worden verstaan “begin 2011, toen de accountant betrokken was bij het opstellen en ondertekenen van de huurovereenkomst”. Wat dit punt betreft falen de grieven 2 en 3
) de waarborgsom niet kon of wilde betalen. In plaats daarvan is afgesproken dat FYR B.V. de huur twee maanden vooruit zou betalen. Tijdens de tweede bijeenkomst op 24 februari 2011 waren aanwezig de heer [getuige 1] , de heer [accountant] en ik. Tijdens de eerste bijeenkomst heeft de heer [accountant] gezegd dat er een akte van cessie moest komen waarbij de vorderingen op FYR in verband met de huurovereenkomst zouden worden overgedragen op Service Pack. Dit was in verband met het feit dat de heer [getuige 1] de waarborgsom niet kon betalen en omdat Service Pack een bepaalde omzet moest garanderen. (…) Ik denk dat de heer [accountant] mij op enig moment erop heeft geattendeerd dat de akte van cessie nog moest worden opgesteld. Deze akte is vervolgens opgesteld (…) De akte heb ik vervolgens samen met de brief voor FYR B.V. in een envelop gedaan. Deze heb ik samen met andere enveloppen aan de heer [vertegenwoordiger Fyr] gegeven. (…) Ik weet (…) zeker dat ik deze envelop met de akte van cessie en de daarbij behorende brief aan de heer [vertegenwoordiger Fyr] heb gegeven omdat ik daar duidelijk bij heb gezegd dat er een akte van cessie bij zat. Ik heb daarbij gezegd: “Zorg er voor dat die op de plaats van bestemming komt.” Ik weet niet meer precies wanneer ik deze envelop met akte en brief aan de heer [vertegenwoordiger Fyr] heb gegeven, dat zal een paar dagen na het opstellen daarvan zijn geweest. (…)”.
NvW (…) De vervanging van de woorden “gevolgd door mededeling” door “en mededeling” doet beter uitkomen dat (…) aan de eis van een akte als aan de eis van mededeling daarvan voldaan moet zijn, maar dat ook onverschillig is in welke volgorde aan deze eisen wordt voldaan.”).
“(…) een akte van cessie moest komen.”. Ook [Holding] heeft niet meer verklaard dan dat tijdens één van de twee bijeenkomsten bij [accountant] door [accountant] is gezegd “(…)
dat er een akte van cessie moest komen waarbij de vorderingen op FYR in verband met de huurovereenkomst zouden worden overgedragen op Service Pack.”. Die woorden houden echter geen mededeling in dat er is gecedeerd noch is daarmee met voldoende mate van zekerheid meegedeeld dat het recht op de huurpenningen aan Service Pack zal moeten gaan toekomen. Die mededeling van [accountant] , accountant en geen werknemer of bestuurder bij De Holding en/of bij Service Pack, houdt niet meer in dan dat het hem als accountant verstandig lijkt dat de huurvordering van De Holding op Fyr wordt gecedeerd aan Service Pack. Meer dan dat valt uit die woorden niet te halen. Het hof weegt hierbij mee dat als deze woorden van [accountant] werkelijk een cessiemededeling inhouden, het in elk geval voor de hand had gelegen dat zou zijn besproken op welk rekeningnummer de huurpenningen dan gestort zouden moeten gaan worden: op de rekening van De Holding of die van Service Pack. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat dit ter sprake is gebracht. Het hof wijst hierbij op het feit dat het bij een cessie niet vanzelfsprekend is dat de gelden die betaald moeten worden vóór en na de cessie op dezelfde bankrekening gestort worden. Verder is hetgeen [accountant] gezegd zou hebben niet zo duidelijk dat zonder enige ondersteuning uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en/of zijn vrouw dat in elk geval het woord “cessie” is gevallen tijdens één van de bijeenkomsten, niet tot het oordeel kan worden gekomen dat de cessie van de huurpenningen aan Fyr is meegedeeld. Wat dit betreft slagen de grieven 2 en 3.