Uitspraak
primairdat verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood;
subsidiairdat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem het plegen van die feiten niet kan worden toegerekend;
meer subsidiairdat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een beroep op afwezigheid van alle schuld ten gevolge van verontschuldigbare onmacht.
hij op of omstreeks 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachte raad [P] (zijn vrouw) van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [P] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in haar halsstreek gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [P] is overleden;
hij op of omstreeks 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachte raad [zoon] (zijn zoon) van het leven te beroven, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen, althans eenmaal) voornoemde [zoon] met zijn hoofd tegen een ruit (van een schuifpui) heeft gegooid en/of geduwd en/of geslagen en/of (meermalen, althans eenmaal) voornoemde [zoon] met de keukenlade en/of bestekbak en/of een hard en/of stomp en/of penetrerend voorwerp tegen het hoofd en/of het gezicht heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
hij op 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, opzettelijk [P] (zijn vrouw) van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet voornoemde [P] meermalen met een mes in haar halsstreek gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [P] is overleden;
hij op 28 april 2013 te Reek, gemeente Landerd, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [zoon] (zijn zoon) van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [zoon] met zijn hoofd tegen een ruit (van een schuifpui) heeft gegooid of geduwd en voornoemde [zoon] met de keukenlade tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
“De wereld vergaat, maak iedereen dood”, althans woorden van gelijke strekking (ordner 1, pag. 107). Verdachte is naar beneden gegaan.
“Ik heb [zoon] met zijn hoofd tegen de ruit aan geslagen. Het is bij de schuifpui in de keuken gebeurd. Hij bloedde als een rund. Ik heb hem nog water gegeven”(ordner 1, pagina’s 86-87). Op de vraag van de verbalisanten wat de reden was dat verdachte [zoon] sloeg, heeft verdachte geantwoord:
“Agressief. Ik hoor dood en ik heb hem geslagen”(ordner 1, pag. 85). Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard:
“Mij staat ook iets bij dat ik [zoon] met een keukenla heb geslagen”.
“Ik kan mij wel herinneren dat ik [zoon] tegen de ruit aan heb gegooid. Met name het tegen de ruit komen van [zoon] en het bloed staat me bij”.
- dat zij hoorde dat verdachte hard van de trap liep, achter haar moeder aan, en dat zij hoorde dat haar moeder schreeuwde:
- dat verdachte en haar moeder via de hal naar de berging zijn gegaan;
- dat zij haar moeder hoorde gillen;
- dat zij met [zoon] naar de keuken is gerend en dat zij naar de berging zijn gegaan;
- dat zij verdachte gingen tegenhouden;
- dat zij zag dat haar moeder op haar rug op de grond lag en dat verdachte zijn voet op haar buik had gezet;
- dat zij zag dat, op het moment dat [zoon] en zij er aan kwamen, verdachte ging bukken op zijn hurken en zijn handen op de buik van haar moeder legde zodat zij niet weg kon;
- dat zij met [zoon] verdachte is gaan wegduwen zodat haar moeder weg kon;
- dat zij zag dat [zoon] tegen verdachte stond te duwen en dat verdachte [zoon] toen pakte en dat [zoon] met zijn hoofd tegen het raam ging;
- dat haar moeder naar de buren rende en dat zij veel bloed had;
- dat zij had gezien dat verdachte [zoon] met één hand bij de pols vast had en dat hij met zijn andere hand het hoofd van [zoon] heel hard tegen de schuifdeur duwde;
- dat zij naar boven is gegaan en dat ze hoorde dat er lades werden opengetrokken en ze hoorde gerammel van bestek.
- dat hij zijn moeder hoorde gillen;
- dat hij naar de keuken is gerend;
- dat hij verdachte zag staan met een mes in zijn hand;
- dat hij met [dochter] naar verdachte is gerend en dat zij probeerden om verdachte aan de kant te duwen;
- dat [dochter] opzij werd geduwd en dat hij opzij tegen het raam aan werd gegooid.
“De wereld vergaat, maak iedereen dood”, althans woorden van gelijke strekking. Vervolgens heeft hij een mes gepakt en daarmee [P] meermalen in haar hals gestoken ten gevolge waarvan zij korte tijd later is overleden. Verdachte heeft kennelijk nog getracht te voorkomen dat [P] weg kon komen. Toen [zoon] probeerde de verdachte weg te duwen heeft verdachte [zoon] vastgepakt en met het hoofd tegen de ruit gegooid of geduwd en met een keukenlade geslagen.
1.Doodslag;
2.Poging tot doodslag.
“De wereld vergaat, maak iedereen dood”(althans woorden van gelijke strekking). Verdachte is vervolgens naar beneden gegaan en heeft de bewezen verklaarde feiten gepleegd.
.Ook heeft hij in de nacht voorafgaand aan het bewezenverklaarde een grote hoeveelheid alcohol gedronken waarvan hij moet hebben geweten dat hiervan een ontremmend effect uitgaat. Er is bovendien sprake van een afwijkende inname van benzodiazepines, enkele uren voordat het bewezenverklaarde plaatsvond. Verdachte heeft door zijn gedrag bewust ongeoorloofde risico’s genomen. Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen sprake van volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte kan (deels) verantwoordelijk worden gehouden voor het ontstaan van het delirium en het zich tijdens het delirium voorgedaan hebbend geweld tegen zijn echtgenote en hun zoon. Voor wat betreft de mate waarin het bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend verwijst het hof naar de overwegingen omtrent de op te leggen straf en maatregel.
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) jaren.
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
165 (honderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van immateriële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
165 (honderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
€ 5.177,56 (vijfduizend honderdzevenenzeventig euro en zesenvijftig cent) ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
€ 5.177,56 (vijfduizend honderdzevenenzeventig euro en zesenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.