AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bevoegdheid en uitvoerbaarheid bij voorraad in internationale handelszaak
In deze internationale handelszaak tussen [metaalhandel] B.V. en Stemcor UK Ltd. staat de vraag centraal of het hof bevoegd is om kennis te nemen van een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en of het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.
Het hof oordeelt dat het bevoegd is omdat het hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank binnen haar ressort. De exceptie van onbevoegdheid van [appellante] wordt afgewezen. Vervolgens weegt het hof de belangen af bij de incidentele vordering ex artikel 234 RvPro en concludeert dat het belang van Stemcor bij uitvoerbaarverklaring zwaarder weegt dan het belang van [appellante] bij behoud van de bestaande toestand.
Daarnaast wordt in de hoofdzaak een verzoek van [appellante] behandeld om Stemcor voortaan aan te duiden als Moorgate Industries UK Limited, gezien een naamswijziging. Het hof stelt Stemcor in de gelegenheid hierop te reageren en houdt verdere beslissingen aan tot het eindarrest.
Uitkomst: Het hof verklaart zich bevoegd, wijst de exceptie van onbevoegdheid af en verklaart het vonnis van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad.
gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigd Koninkrijk,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. J.J.O. Zandt te Amsterdam,
op het bij exploot van dagvaarding van 14 juli 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 juni 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerde – Stemcor – als eiseres.
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/303948 / HA ZA 16-101)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2.Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie in het incident van Stemcor ;
de antwoordmemorie in het incident tevens akte houdende wijziging tenaamstelling Stemcor tevens memorie van grieven met producties van [appellante] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
3.De beoordeling
3.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld om aan Stemcor te betalen een bedrag van US$ 39.854,36 en een bedrag van € 175.401,37, vermeerderd met rente en is [appellante] in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van Stemcor tot de dag van de uitspraak begroot op € 5.997,19, vermeerderd met de wettelijke rente. Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Stemcor had dit niet gevorderd.
3.2.
[appellante] is van dit vonnis tijdig in hoger beroep gekomen. Stemcor heeft bij incidentele memorie een vordering ex artikel 234 RvPro ingesteld. In zijn incidentele antwoordmemorie heeft [appellante] een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Voorts heeft [appellante] het hof verzocht te bepalen dat Stemcor in het vervolg van deze procedure zal worden aangeduid als Moorgate Industries UK Limited.
De exceptie van onbevoegdheid
3.3.
[appellante] vordert dat het hof zich onbevoegd zal verklaren om van de incidentele vordering van Stemcor kennis te nemen. Ter onderbouwing daarvan voert [appellante] – kort gezegd – aan dat hij en Stemcor hebben gekozen voor toepassing van het Engelse recht en dat zij een forumkeuze zijn overeengekomen.
3.4.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 60 WetPro RO gerechtshoven in hoger beroep oordelen over de daarvoor vatbare vonnissen, beschikkingen en uitspraken in burgerlijke zaken, strafzaken en belastingzaken van de rechtbanken in hun ressort. Nu [appellante] in hoger beroep is gekomen van een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant is het hof bevoegd om daarover te oordelen. De vordering tot onbevoegdverklaring zal derhalve worden afgewezen.
De vordering in het incident ex artikel 234 RvPro strekt ertoe dat het bestreden vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
3.6.
Het hof stelt voorop dat de incidentele vordering betrekking heeft op de veroordeling tot betaling van een geldsom. Een zodanige veroordeling kan in beginsel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3.7.
Bij de beoordeling van een vordering op de voet van artikel 234 RvPro moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van degene die de veroordeling verkreeg zwaarder weegt dan het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand totdat op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven.
3.8.
Op grond van het vonnis is voor het hof uitgangspunt dat Stemcor recht heeft op betaling van de in dat vonnis gegeven veroordeling. Aangezien het de veroordeling tot betaling van een geldsom betreft, mag verder worden verondersteld dat Stemcor het vereiste belang heeft bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Aan het belang van Stemcor doet niet af het verweer van [appellante] dat Stemcor slechts een beperkt belang heeft omdat Stemcor deel uitmaakt van een groot wereldwijd concern met een omzet die de omzet van [appellante] vele malen overtreft.
3.9.
Tegenover het belang van Stemcor stelt [appellante] dat zij belang heeft te voorkomen dat zij met een verhaalsrisico wordt geconfronteerd dat groter is dan normaal. [appellante] onderbouwt deze stelling enkel met een verwijzing naar het feit dat Stemcor in Engeland gevestigd is en de zaak uit dien hoofde een internationaal karakter draagt. [appellante] laat na het gestelde verhaalsrisico te concretiseren aan de hand van de financiële positie van Stemcor . Dat er sprake is van enig verhaalsrisico staat daarom niet vast.
3.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het gestelde belang van Stemcor bij de gevorderde uitvoerbaarverklaring zwaarder weegt dan het gestelde belang van [appellante] bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. Het hof zal de vordering dan ook toewijzen.
3.11.
Het hof zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
In de hoofdzaak
3.12.
[appellante] verzoekt het hof te bepalen dat Stemcor in het vervolg van deze procedure zal worden aangeduid als Moorgate Industries UK Limited. Daartoe voert [appellante] aan dat haar op basis van de haar ter beschikking gekomen informatie is gebleken dat Stemcor met ingang van 11 november 2015 haar naam aldus heeft gewijzigd.
3.13.
Stemcor is nog niet in de gelegenheid geweest om te reageren op dit verzoek en op de stellingen van [appellante] dienaangaande. Het hof zal Stemcor in de gelegenheid stellen om dit bij memorie van antwoord alsnog te doen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4.De beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering tot onbevoegdverklaring tot kennisneming van de incidentele vordering van Stemcor af;
verklaart het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 1 juni 2016 alsnog uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de zaak reeds is verwezen naar de rol van 24 januari 2017 voor memorie van antwoord aan de zijde van Stemcor ;
stelt Stemcor in de gelegenheid zich daarbij in de hiervoor in rov. 3.13 genoemde zin uit te laten;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 januari 2017.