Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellante] , bijgestaan door mr. Slof.
- Mevrouw [bewindvoerder 2] , waarnemend namens mevrouw [bewindvoerder 1] , hierna te noemen de bewindvoerder;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante is in eerste aanleg geconfronteerd met de beëindiging van haar wettelijke schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei, omdat zij toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen. In hoger beroep heeft zij een pro forma beroepschrift ingediend ter sauvering van de beroepstermijn, maar de feitelijke gronden van het hoger beroep zijn pas zeven weken later in een aanvullend beroepschrift ingediend.
Volgens vaste jurisprudentie en artikel 278 lid 1 Rv Pro moeten de gronden van het hoger beroep in het beroepschrift worden vermeld, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Appellante heeft geen voorbehoud gemaakt voor het later aanvullen van gronden en het vonnis was reeds bij het eerste beroepschrift gevoegd. Hierdoor is het aanvullend beroepschrift te laat ingediend en wordt het niet in de beoordeling betrokken.
Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat de advocaat het dossier nog niet met appellante had kunnen bespreken geen rechtvaardiging vormt voor de termijnoverschrijding. Tevens onderschrijft het hof de gronden van de rechtbank dat de schuldsaneringsregeling zonder schone lei moet worden beëindigd.
Gelet hierop verklaart het hof appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en wijst het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling van de gronden.
Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens te late indiening van het aanvullend beroepschrift.