ECLI:NL:GHSHE:2017:1055

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 maart 2017
Publicatiedatum
16 maart 2017
Zaaknummer
200.206.278_01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 lid 1 RvArt. 354 lid 1 FwArt. 354 lid 2 FwArt. 358 lid 2 FwArt. 1:431 lid 1 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens te late indiening aanvullend beroepschrift in schuldsaneringsregeling

Appellante is in eerste aanleg geconfronteerd met de beëindiging van haar wettelijke schuldsaneringsregeling zonder toekenning van de schone lei, omdat zij toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen. In hoger beroep heeft zij een pro forma beroepschrift ingediend ter sauvering van de beroepstermijn, maar de feitelijke gronden van het hoger beroep zijn pas zeven weken later in een aanvullend beroepschrift ingediend.

Volgens vaste jurisprudentie en artikel 278 lid 1 Rv Pro moeten de gronden van het hoger beroep in het beroepschrift worden vermeld, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Appellante heeft geen voorbehoud gemaakt voor het later aanvullen van gronden en het vonnis was reeds bij het eerste beroepschrift gevoegd. Hierdoor is het aanvullend beroepschrift te laat ingediend en wordt het niet in de beoordeling betrokken.

Het hof overweegt dat de enkele omstandigheid dat de advocaat het dossier nog niet met appellante had kunnen bespreken geen rechtvaardiging vormt voor de termijnoverschrijding. Tevens onderschrijft het hof de gronden van de rechtbank dat de schuldsaneringsregeling zonder schone lei moet worden beëindigd.

Gelet hierop verklaart het hof appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en wijst het beroep af zonder inhoudelijke beoordeling van de gronden.

Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens te late indiening van het aanvullend beroepschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak : 16 maart 2017
Zaaknummer : 200.206.278/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/01/13/372 R
in de zaak in hoger beroep van:
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. R.T.A. Slof te Cuijk.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2016.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 28 december 2016, heeft [appellante] ter sauvering van de beroepstermijn verzocht het beroepschrift pro forma in behandeling te nemen.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • [appellante] , bijgestaan door mr. Slof.
  • Mevrouw [bewindvoerder 2] , waarnemend namens mevrouw [bewindvoerder 1] , hierna te noemen de bewindvoerder;
- De heer [beschermingsbewindvoerder] (Anker Bewind [vestigingsnaam] BV), hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 22 november 2016;
- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 23 februari 2016;
- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 1 maart 2017:

3.De beoordeling

3.1.
Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW Pro. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).
3.2.
Bij vonnis van 28 augustus 2013 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw Pro, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw Pro aan [appellante] geen “schone lei” is verleend.
De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
3.4.
[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift
3.4.
Naar vaste rechtspraak dient het beroepschrift, met overeenkomstige toepassing van artikel 278 eerste Pro lid Rv, de gronden van het hoger beroep te vermelden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van dit vereiste worden afgeweken – namelijk in geval het een zeer korte appeltermijn betreft en de tekst van de beslissing waartegen het beroep wordt gericht nog niet beschikbaar is – in welk geval kan worden volstaan met een ‘blanco’ beroepschrift. Meer in het bijzonder in het kader van het instellen van rechtsmiddelen in het kader van de wettelijke schuldsanering is regel dat, zo men op dat moment niet tijdig kan beschikken over een essentieel processtuk (zoals het vonnis waartegen men wil appelleren), in het hoger beroepschrift het voorbehoud dient te worden gemaakt tot aanvulling van gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk (zie i.h.a. ook Wessels Insolventierecht IX, 3e druk, 2012, par. 9075).
Volgens vaste jurisprudentie dient zo’n aanvullend beroepschrift vervolgens met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen – of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn – heeft te gelden. Waar in zaken als de onderhavige geldt dat gedurende acht dagen hoger beroep kan worden ingesteld, heeft deze termijn eveneens te gelden voor indiening van een aanvullend beroepschrift, zulks op straffe van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
3.4.1.
In het op 28 december 2016 ter griffie ingekomen beroepschrift heeft de advocaat van [appellante] slechts ter sauvering van de beroepstermijn verzocht het beroepschrift pro forma in behandeling te nemen. Gronden voor het beroep zijn in dat beroepschrift in het geheel niet vermeld.
Bij indieningsformulier d.d. 23 februari 2017, derhalve ongeveer 7 weken na indiening van het inleidende beroepschrift heeft de advocaat een aanvullend beroepschrift ingediend, waarin in aanvulling op het op 28 december 2016 indiende beroepschrift de gronden van het hoger beroep voor het eerst worden geformuleerd.
Gelet op de hierboven weergegeven vaste jurisprudentie zijn de geformuleerde grieven in het aanvullend beroepschrift ruimschoots te laat in het geding gebracht daargelaten nog, dat in het inleidende beroepschrift niet het voorbehoud is gemaakt tot het aanvullen van gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk; het vonnis waarvan beroep was in elk geval ook aan het beroepschrift van 28 december 2016 gehecht. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat het hof hetgeen namens [appellante] in het aanvullend beroepschrift van 23 februari 2017 als nieuwe grieven is aangevoerd tegen het vonnis, waarvan beroep, niet in zijn oordeelsvorming zal betrekken. Het hof overweegt wellicht ten overvloede dat niet is gesteld of anderszins is gebleken dat de advocaat niet in staat is geweest binnen de hiervoor vermelde termijn in een aanvullend beroepschrift grieven te formuleren tegen het vonnis, waarvan beroep, omdat hij niet (tijdig) de beschikking heeft gehad over een essentieel processtuk, zoals bijvoorbeeld het bestreden vonnis. De enkele door de advocaat aangevoerde omstandigheid dat hij het dossier nog niet met [appellante] heeft kunnen bespreken en om die reden nog niet in staat is geweest de gronden van het hoger beroep tegen het bestreden vonnis in het inleidende beroepschrift te formuleren levert naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging op voor de termijnoverschrijding.
3.4.2.
Het hof overweegt tot slot wellicht ten overvloede dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne zou maken bij ontvankelijkheid, heeft geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] zonder toekenning van de schone lei diende te worden beëindigd.
3.5.
Hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat [appellante] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep.

4.De uitspraak

Het hof:
Verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.