Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- het eerdergenoemde arrest van de Hoge Raad;
- de memorie na verwijzing van Inbev van 22 maart 2016;
- de memorie na verwijzing van [appellant] met producties van 31 mei 2016;
- de akte van Inbev met producties van 19 juli 2016;
- de brief van de advocaat van Inbev van 13 oktober 2016 met één productie;
2.De beoordeling
grief 1is afgewezen (zie rov. 3.2). Tegen dit oordeel is geen cassatiemiddel gericht, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt kan nemen.
grief 9betoogt [appellant] dat Inbev jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Dit betoog neemt tot uitgangspunt dat Inbev heeft gezwegen waar zij had behoren te spreken.
grief 10beroept [appellant] zich op een aan Inbev toerekenbare tekortkoming. Het gehuurde had immers niet de eigenschappen die [appellant] met het oog op de beoogde bestemming van het gehuurde mocht verwachten.
grief 13
grief 15doet [appellant] een beroep op matiging van de contractuele boete ad € 70.236,93 (punt 66 inl. dagv.). Deze grief is verder niet toegelicht. In het licht van HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, ziet het hof geen reden voor matiging. De billijkheid eist dit niet klaarblijkelijk.
grief 16wordt, zonder nadere toelichting, gesteld dat deze vordering ten onrechte is toegewezen. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne.