Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
[overleden echtgenoot] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. C/03/175350 / HA ZA 12-398)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
Verkoper heeft koper uitdrukkelijk geattendeerd op het feit dat zij het verkochte alleen als kind heeft bewoond en dat zij derhalve koper niet heeft kunnen informeren over eigenschappen van cq. gebreken aan het verkochte waarvan zij op de hoogte zou zijn geweest als zij het verkochte zelf feitelijk had gebruikt”, partijen hebben bedoeld te zeggen dat de gevolmachtigde [dochter van geintimeerde] de woning alleen als kind heeft bewoond. Zie wat dit betreft ook het proces-verbaal van comparitie na antwoord waarin is vermeld dat dhr. en mw. [getuige] hebben verklaard dat gedaagde, dus [geïntimeerde] , bijna 50 jaar in de woning heeft gewoond, waaruit logischerwijze voortvloeit dat [geïntimeerde] dus niet de woning alleen als kind heeft bewoond. Het hof volgt dus wat dit betreft het oordeel van de rechtbank die in rov. 4.9 van het tussenvonnis van 30 oktober 2013 heeft geoordeeld dat met “verkoper” in art. 19.1 van de koopovereenkomst is bedoeld de dochter van [geïntimeerde] . De vraag of, en zo ja welke gevolgen dit oordeel heeft, hoeft thans nog niet te worden beantwoord.
Koper is echter bekend met de staat van de woning en dat deze afwijkt van de hedendaagse normen.”, wordt gevolgd door de zin dat als de feitelijke levering eerder plaatsvindt, de woning op dat moment de eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn en door de zin
“Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn.”[geïntimeerde] heeft zich nog beroepen op de zinsnede “
Verkoper staat ook niet in voor de afwezigheid van gebreken die dat normale gebruik belemmeren” uit artikel 5.3 van de koopovereenkomst (memorie van antwoord onder 2.1.1). Dit kan haar niet baten, nu die zinsnede wordt gevolgd door de woorden “
en die aan koper kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst”. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van kenbare gebreken aan de keukenvloer. Uit dit alles volgt dat [geïntimeerde] er op grond van art. 5.3 van de koopovereenkomst ervoor heeft in te staan dat er geen sprake zou zijn van een inherent onveilige vloer die het aanmerkelijk risico in zich droeg om in te storten.
de trillingen uit de bouwactiviteiten in 2012 zijn, in relatie met de onderstaande opsomming (…) 1 t/m 6, de laatste druppel geweest om de (…) (plaatselijk) te zwakke constructie te doen bezwijken.”.
5.De uitspraak
bij brief aan de griffier van dit hoftegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;