Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
Beheersmaatschappij [Beheersmaatschappij] B.V.,gevestigd te [woonplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/118627/HAZA 12-308)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens akte overlegging producties in principaal hoger beroep;
- de antwoordakte in principaal hoger beroep, tevens akte overlegging producties in incidenteel hoger beroep van C&P met producties;
- de antwoordakte in incidenteel hoger beroep van [appellant] c.s. met productie.
3.De beoordeling
2) te verklaren voor recht dat [appellant] c.s. eigenaar is van de roerende zaken, die zich bevinden of bevonden in of rondom de bedrijfsvestiging van C&P, zoals genoemd op pagina 14 en 15 van de dagvaarding in eerste aanleg;
3) C&P te gebieden om aan [appellant] c.s. het bezit te verschaffen van hun eigendommen zoals onder a) en b) bedoeld, door [appellant] c.s. in staat te stellen deze bij de bedrijfsvestiging van C&P op te halen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag;
4) C&P te veroordelen tot betaling van de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten daaronder begrepen.
onvoorwaardelijk:
1)
primair[appellant] te veroordelen tot betaling van € 53.741,81 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente;
subsidiair[appellant] te veroordelen tot teruggave aan C&P van de goederen als bedoeld in de facturen b. [Camaro-supercharger, hof], c. [Gabriel-schokbrekers], d. [Magnaflow- uitlaatsysteem] en e. [Asus-computer met accessoires], als producties 5-8 gevoegd bij de conclusie van eis in reconventie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag per afzonderlijke zaak, en betaling van de facturen a. [gsm-gebruik] en f. [tickets Daytona-event], als producties 4 en 9 gevoegd bij de conclusie van eis in reconventie, zijnde een bedrag van € 2.093,34, vermeerderd met de wettelijke rente;
2) [appellant] te veroordelen tot betaling van de proceskosten;
voorwaardelijk, in het geval de vorderingen van [appellant] c.s. in conventie worden afgewezen:
3) [appellant] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 29.185,25, vermeerderd met de wettelijke rente;
4) [appellant] c.s. te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
[appellant]is van belang dat zij een verplichting ‘tot de failliete boedel behorende’ in de zin van artikel 25 Fw Pro tot onderwerp heeft, maar niet tot doel heeft de ‘voldoening van een verbintenis uit de boedel’ in de zin van artikel 26 Fw Pro. Dit heeft tot gevolg dat niet artikel 29 Fw Pro van toepassing is (de schorsing van rechtswege vanaf het moment dat het onderhavige arrest wordt gewezen), maar artikel 28 Fw Pro. Waar het gaat om de (eventuele) processuele gevolgen van het faillissement van C&P in verband met de vordering van [appellant] legt deze bepaling het initiatief bij [appellant] dan wel de curator.
C&Pis het bepaalde in artikel 27 Fw Pro van toepassing. Ook deze bepaling legt, waar het gaat om de (eventuele) processuele gevolgen van het faillissement van C&P, het initiatief bij [appellant] dan wel de curator.
‘lijst nog verder aan te vullen met bezichtiging pand’. De rondgang, op 11 mei 2011, is door [bestuurder Daytona] eenzijdig afgebroken, zodat de lijst niet verder is aangevuld, aldus [appellant] .
nietbesloten dat aan deze vereisten is voldaan.
alledoor [appellant] opgevorderde zaken zijn eigendom zijn, geen doel treffen vanwege een ontoereikende onderbouwing. In zoverre vormt het door [appellant] gestelde geen afdoende weerspreking van het op grond van de eerder genoemde bewijsvermoedens als vaststaand aangenomen eigenaarschap van C&P. Het hof zal [appellant] c.s. daarom in zoverre niet toelaten tot het leveren van enig bewijs.
één of enkelevan de opgevorderde zaken [appellant] eigendom zijn. De door [appellant] c.s. overgelegde lijst uit 2002 en het informatiememorandum dat gegevens bevat tot en met 2006 (en waarin de desbetreffende zaken slechts in zeer algemene termen worden aangeduid) acht het hof in dit verband niet van belang.
‘in de tussentijd van eigenaar [kan] zijn veranderd’. Deze stelling heeft C&P niet nader geconcretiseerd, door gemotiveerd te stellen dát, wanneer en op grond waarvan de eigendom van de hogedrukreiniger is overgegaan van Beheersmaatschappij op C&P. Voor zover C&P (ook) in dit verband een beroep wil doen op de - door haar veronderstelde - rechtsgevolgen van de aandelentransactie c.a. verwijst het hof naar hetgeen is overwogen en geoordeeld in r.o. 3.8.5. De door C&P ingenomen stelling ter onderbouwing van haar ‘betere recht’ treft daarom geen doel. Bij gebrek aan door C&P gestelde relevante feiten komt het hof niet toe aan het verstrekken van enige bewijsopdracht in dit verband.
in conventiekan niet in stand blijven en zal, voor zover het de vorderingen van Beheersmaatschappij betreft, bij eindarrest worden vernietigd. Het hof zal deze vorderingen alsdan toewijzen en aan de veroordeling tot afgifte een (nog nader te concretiseren) dwangsom verbinden.
haarrecht op de grasmaaier heeft C&P namelijk bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep een afschrift van de factuur van de grasmaaier in kwestie (prod. 21) overgelegd, die dateert van 9 juli 1999 en die is gesteld op naam van C&P. Uit deze tenaamstelling leidt het hof af dat C&P de grasmaaier heeft gekocht. Dit geldt des te meer nu [appellant] zijn eigen stelling in het geheel niet heeft geconcretiseerd (wanneer gekocht?, bij wie?) en/of onderbouwd met een factuur of een ander relevant schriftelijk stuk.
inclusief de schokbrekerstreft geen doel, gelet op hetgeen het hof heeft overwogen en beslist in r.o. 3.8.5. Uitgaande, daarom, van de door [appellant] gestelde gang van zaken, kan niet worden vastgesteld dat [appellant] de partij Gabriel- schokbrekers ná 9 juli 2010 heeft onttrokken aan de voorraden van C&P. Reeds daarom komen de desbetreffende vorderingen van C&P niet voor toewijzing in aanmerking.
superchargerheeft C&P een inkoopfactuur en een grootboekkaart (prod. 18 en 19) overgelegd, waaruit volgens C&P blijkt dat dit onderdeel eind mei 2010 is betaald door C&P en onmiddellijk daarna door toedoen van [appellant] is afgeboekt uit de voorraden van C&P. Het hof leidt hieruit af dat de supercharger in mei 2010, en derhalve vóór de aandelentransactie en de wisseling van het bestuurderschap, deel uitmaakte van de voorraden van C&P en daaruit vervolgens, nog voor de aandelenoverdracht, weer is verdwenen. Dit gegeven is in overeenstemming met het verweer van [appellant] c.s., zodat het hof als vaststaand aanneemt dat [appellant] de supercharger sinds mei 2010 onder zich heeft. Dit betekent dat, anders dan C&P aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, niet is komen vast te staan dat [appellant] de supercharger
náde aandelentransactie heeft weggenomen, zodat geen grond bestaat om de vorderingen van C&P met betrekking tot de Camaro-supercharger toe te wijzen. Bij gebreke van door C&P gestelde relevante feiten komt het hof niet toe aan het verstrekken van enige bewijsopdracht in dit verband.
uitlaatsysteemheeft C&P een voorraadkaart voor het jaar 2010 (prod. 16) en een factuur d.d. 7 september 2010 (prod. 17) overgelegd, waaruit volgens C&P blijkt dat een dergelijk onderdeel begin september 2010 is verkocht en geleverd aan een klant, te weten: [klant] , en dat vervolgens op 14 september 2010 een nieuw exemplaar is afgeleverd aan C&P (en daarop door [appellant] is meegenomen ). Deze nadere stellingen zijn door [appellant] c.s. onvoldoende betwist, nu [appellant] c.s. met name heeft nagelaten om in te gaan op de door C&P overgelegde producties 16 en 17 en de daarop gestelde data. De nadere stellingen van C&P en de in verband daarmee overgelegde producties zijn geëigend om te onderbouwen dat ná 9 juli 2010 een Magnaflow-uitlaatsysteem aan de voorraden van C&P is onttrokken en aan [appellant] ten goede is gekomen. Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder Daytona] als de bestuurder van C&P met deze gang van zaken heeft ingestemd.
primairevordering van C&P voor toewijzing in aanmerking komt. Of [appellant] het desbetreffende onderdeel op dit moment nog in zijn bezit heeft, is in verband met deze schadevergoedingsvordering niet relevant. De rechtbank heeft aan deze omstandigheid - die tussen partijen in het geheel niet vaststaat - ten onrechte belang gehecht.
voorwaardelijkingesteld, namelijk voor het geval de vorderingen van [appellant] worden afgewezen. Thans staat niet vast of dit het geval zal zijn (zie de r.o. 3.8.7.-3.8.8.), zodat het hof de vordering jegens [appellant] c.s. en al hetgeen partijen daartoe hebben gesteld vooralsnog onbesproken laat. Het hof zal iedere verdere beslissing ter zake aanhouden.
onvoorwaardelijkingesteld. In dat kader dient, naar aanleiding van grief XI in principaal hoger beroep, de beslissing van de rechtbank op de vordering van C&P wegens ‘telefoonkosten’ aan de orde te komen. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 397,80 met wettelijke rente (betrekking hebbend op de periode van 20 mei 2011 tot en met 30 november 2011) en heeft de vordering voor het overige afgewezen. Onder grief XI voert [appellant] aan dat de rechtbank de vordering volledig had moeten afwijzen.
niette verwijzen staat geen rechtsmiddel open).
geengebruik zou hebben gemaakt van de gsm. [appellant] stelt tevens dat C&P hem in de periode tot eind november 2011 nimmer het gebruik van de desbetreffende gsm heeft verboden of de gsm heeft ingevorderd. Dit verweer slaagt, nu C&P de door [appellant] gestelde feiten niet heeft weersproken. Uitgaande van deze feiten (de vordering betreft uitsluitend abonnementskosten; de gsm is niet ingevorderd) oordeelt het hof dat C&P de abonnementskosten hoe dan ook had moeten dragen en dat het aan haar te wijten is dat het abonnement niet - desgewenst - aan een (andere) medewerker van C&P ten goede is gekomen.
4.De uitspraak
's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
11 oktober 2016voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 8 tot 20 weken na de datum van dit arrest;