Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties en het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 16 maart 2016;
- het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 mei 2016;
- een V-6 formulier van [appellant] met producties, ingekomen ter griffie op 2 juni 2016;
- mevrouw [manager verkoop Dedert] namens Dedert, bijgestaan door mr. Blom en zijn kantoorgenoot mevr. mr. [kantoorgenoot] (geen advocaat);
- de ter zitting door mr. Verblackt overgelegde pleitnota.
3.De beoordeling
“De werknemer is verplicht tot geheimhouding van alle gegevens over het bedrijf, de bedrijfsvoering en klanten van de werkgever waarvan hij weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat deze vertrouwelijk zijn. Deze verplichting geldt ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst”
“Hi [directeur Dedert] ,
“Geachte heer [appellant] ,Zoals reeds aan u gecommuniceerd hebben wij kennis gekregen van omstandigheden die het vermoeden opwekken dat u bedrijfsgevoelige en vertrouwelijke informatie van en omtrent DedertIJs B.V. aan derden, althans in aanwezigheid van derden, bekend heeft gemaakt waarmee u in dat geval de wettelijke en contractuele vertrouwens- en geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden.Wij nemen dit, zoals reeds aangegeven, hoog op.Teneinde een objectieve en volledige voorstelling van zaken te verkrijgen stellen wij een onderzoek in naar bovenstaande omstandigheden en ( mogelijke ) gedragingen(en).Gedurende dat onderzoek ben u, met onmiddellijke ingang, vrijgesteld van uw werkzaamheden en gelieve u niet zonder voorafgaande afstemming met ons op kantoor te komen noch u toegang tot enige (digitale of andere soort) infrastructuur van DedertIJs B.V. te verschaffen.Na afronding van voornoemd onderzoek zult u vanzelfsprekend door ons worden geïnformeerd omtrent de uitkomst alsook opvolging daarvan.”
“Betreft: Ontslag op staande voet
Indien bij een werkgever het vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden tot ontslag van een werknemer voordoet, en hij zich, alvorens tot ontslagverlening op staande voet over te gaan, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, is de daarbij van hem te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zulk onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad.
stelt in hoger beroep dat [vertegenwoordiger Yearsley 1] hem op 2 oktober 2015 heeft meegedeeld dat hij voornemens was de aandelen van [directeur Dedert] over te nemen en dat hij vervolgens heeft gevraagd hoe Yearsley Group verder zou gaan. Volgens [appellant] antwoordde [vertegenwoordiger Yearsley 1] dat Yearsley Group de financiële injectie zou geven die Dedert nodig had en heeft hij [vertegenwoordiger Yearsley 1] daarna gevraagd of het een doorstart na faillissement zou worden of dat Yearsley Group een faillissement zou voorkomen.
Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat [appellant] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft betwist dat hij op 2 oktober 2015 bij [vertegenwoordiger Yearsley 1] heeft geïnformeerd of Yearsley voornemens is het tot een faillissement van Dedert te laten komen. Daarmee heeft hij naar het oordeel van het hof de suggestie gewekt dat Dedert niet levensvatbaar is. Dit geldt ook indien de uitspraak van [appellant] is gedaan in de context die door [appellant] wordt gesteld. [appellant] heeft voorts niet betwist dat hij zijn uitspraak heeft gedaan in het bijzijn van drie medewerkers van Dedert. Wel heeft hij gemotiveerd betwist dat deze uitspraak ernstige onrust binnen de organisatie heeft veroorzaakt. Dedert dient dit te bewijzen.