Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 februari 2016;
- een brief van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, ingekomen ter griffie op 12 februari 2016, waarin wordt meegedeeld dat geen proces-verbaal is opgemaakt van de mondelinge behandeling in eerste aanleg;
- het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 29 februari 2016;
- het verweerschrift inclusief incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 22 april 2016;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 10 mei 2016;
3.De beoordeling
“Artikel 33 Vergoeding Pro bij opleiding
€ 450,- bij [Reizen] in te leveren en [appellant] erop gewezen dat indien hij het bedrag niet tijdig inlevert, hij er rekening mee moet houden dat hij op staande voet zal worden ontslagen.
“Ook mijn e-mail aan u van woensdagavond (23 september 20.38 uur) jl. heeft er niet toe geleid dat u het contant geld van [Reizen] (€ 450,00) dat u hebt weggenomen althans zonder gegronde reden onder u houdt, hebt afgedragen. Zekerheidshalve heeft de heer [bedrijfsleider bij Reizen] (die u gisteren vergeefs getracht heeft te bellen op uw beide telefoonnummers) u vanmorgen weer gebeld. U hebt toen wel aangenomen, meegedeeld dat u mijn beide e-mails van 23 september jl. hebt ontvangen, maar het contant geld niet gaat afdragen. Mijn e-mails van 23 september jl. aan u heb ik zekerheidshalve bijgevoegd (*).In de opvatting van [Reizen] is sprake van een dringende reden die een onmiddellijke opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. U bent derhalve bij deze op staande voet ontslagen. [Reizen] licht dat als volgt toe.U hebt (vanzelfsprekend zonder toestemming van [Reizen] ) contant geld met een waarde van € 450,00 weggenomen van [Reizen] althans u houdt dat geld zonder gegronde reden onder u ondanks herhaaldelijk verzoek van [Reizen] om dat geld af te dragen. U had dit geld zoals te doen gebruikelijk onmiddellijk na afloop van de rit waarin u het contant geld van de klant hebt ontvangen, moeten afdragen aan [Reizen] . U hebt dat niet gedaan en weigert hardnekkig om dat alsnog te doen.Aanvankelijk hebt u tijdens het gesprek van 16 september jl. met [Reizen] de indruk gewekt dat een afdracht van het geld via de advocaat moest plaatsvinden, omdat ik u gevraagd had om de contacten (overigens over uw vorderingen) via mij te laten verlopen. Bij brief van 17 september jl. heb ik uiteen gezet dat u over de dagelijkse gang van zaken rechtstreeks moet communiceren met [Reizen] en heb ik u namens [Reizen] gesommeerd het geld omgaand af te dragen. Mijn brief van 17 september jl. heb ik eveneens bijgevoegd (*).Vervolgens bent u zich plotseling op het standpunt gaan stellen (uw brief van 21 september jl.) dat u vindt dat u het geld mocht wegnemen althans onder u mag houden met een beroep op verrekening. In mijn e-mail aan u van 23 september jl. (11.24 uur) heb ik gemotiveerd uiteengezet dat en waarom u niet bevoegd bent om te verrekenen. U voldoet immers niet aan de betreffende wettelijke voorwaarden.U bent één en andermaal in de gelegenheid gesteld (ook nadat [Reizen] haar standpunt t.a.v. de verrekening kenbaar heeft gemaakt) om het geld alsnog af te dragen, maar u weigert dat gewoonweg. U hebt ook niet gereageerd op de sommaties van 23 september jl. Het heeft er alle schijn van dat u het bewust op een confrontatie laat aankomen.Al uw hiervoor omschreven gedragingen en de gedragingen zoals genoemd in mijne-mails van 23 september jl. leveren ieder voor zich en hoe dan ook in onderlinge samenhang een dringende reden op, die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.”
[Reizen] heeft nog aangevoerd dat [appellant] na het ontslag op staande voet een aantal medewerkers onheus bejegend heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [Reizen] hiermee doelt op negatieve uitlatingen van [appellant] over [Reizen] jegens de heer [medewerker van Reizen] van [Reizen] . Het hof is van oordeel dat [Reizen] onvoldoende concreet heeft aangegeven om welke uitlatingen het gaat en dat deze uitlatingen niet los kunnen worden gezien van het ontslag op staande voet dat, zoals hiervoor is gebleken, onterecht is gegeven. Voor zover de verhouding tussen [Reizen] en [appellant] is verstoord als gevolg van het door [Reizen] gegeven ontslag op staande voet, is het aan [Reizen] om deze verhouding te herstellen.
.[Reizen] heeft tegen het verzoek tot betaling van de wettelijke rente geen separaat verweer gevoerd. Het hof zal dit verzoek toewijzen. Het hof ziet aanleiding de verzochte wettelijke verhoging te matigen tot 15%, gelet op de omstandigheden van het geval.