ECLI:NL:GHSHE:2016:2287

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 juni 2016
Publicatiedatum
7 juni 2016
Zaaknummer
200.127.474_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de aanwijzing van een noodweg in het kader van artikel 5:57 BW

In deze zaak gaat het om een geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] over de aanwijzing van een noodweg, zoals bedoeld in artikel 5:57 van het Burgerlijk Wetboek. [appellant] is eigenaar van een perceel dat hij gebruikt voor de verbouwing van maïs, terwijl [geïntimeerde 1] eigenaar is van een aangrenzend perceel. Tot 1993 maakten de rechtsvoorgangers van [appellant] gebruik van een pad, aangeduid als noodweg 1, om hun perceel te bereiken. Na 1993 werd een andere route, noodweg 2, gebruikt, maar deze werd door [geïntimeerde 1] afgesloten. [appellant] begon vervolgens noodweg 3 te gebruiken. [geïntimeerde 1] vorderde in eerste aanleg dat [appellant] zou worden verboden om andere wegen te gebruiken dan noodweg 1, terwijl [appellant] in reconventie vroeg om erkenning van zijn recht om noodweg 2 of 3 te gebruiken.

De rechtbank oordeelde dat noodweg 1 niet meer geschikt was voor het gebruik door landbouwmachines en wees noodweg 3 aan als noodweg, met de verplichting voor [appellant] om [geïntimeerde 1] jaarlijks € 1.500,- te betalen voor het gebruik ervan. In hoger beroep heeft het hof de zaak opnieuw beoordeeld. Het hof concludeerde dat de jaarlijkse vergoeding van € 1.500,- buitenproportioneel was en stelde deze vast op € 300,-. Het hof bekrachtigde de overige beslissingen van de rechtbank en compenseerde de proceskosten in het principaal appel, terwijl [geïntimeerde 1] werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.127.474/01
arrest van 7 juni 2016
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. M.J.P. Faassen te Breda,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] (enkelvoud),
advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 juli 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, respectievelijk rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer C/01/236733/HA ZA 11-1494 gewezen vonnissen van 29 augustus 2012 en 13 februari 2013.

5.Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenarrest van 9 juli 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
  • het proces-verbaal van comparitie van 4 september 2013;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met eiswijziging;
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6.De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
[appellant] is eigenaar van een perceel, kadastraal aangeduid als gemeente [gemeente] , [sectieletter 1] nummer [sectienummer 1] (hierna: perceel [perceel 1] ). [appellant] gebruikt dit perceel voor de verbouwing van maïs.
[geïntimeerde 1] is eigenaar van een perceel, kadastraal aangeduid als gemeente [gemeente] , [sectieletter 1] , nummer [sectienummer 2] (hierna: perceel [perceel 2] ).
Perceel [perceel 1] grenst aan perceel [perceel 2] en aan een perceel dat kadastraal is aangeduid als gemeente [gemeente] , [sectieletter 1] , nummer [sectienummer 3] (hierna: perceel [perceel 3] ). Dit perceel is eigendom van de heer en mevrouw [eigenaar perceel 3] (hierna: [eigenaar perceel 3] , enkelvoud).
Tot 1993 maakten rechtsvoorgangers van [appellant] , teneinde met landbouwmachines vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan, gebruik van een pad dat was gelegen op de grens van de percelen [perceel 3] en [perceel 2] . Door de rechtbank is dit pad in de vonnissen waarvan beroep aangeduid als noodweg 1. Ook het hof zal het pad hierna als noodweg 1 aanduiden.
Vanaf 1993 zijn rechtsvoorgangers van [appellant] met hun landbouwmachines gebruik gaan maken van een andere route om vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan, namelijk via een openbare zandweg aan de rechterzijde van perceel [perceel 2] (bezien vanaf de [straatnaam]) en vervolgens dwars over perceel [perceel 2] achterlangs de daarop staande bedrijfsgebouwen naar perceel [perceel 1] (hierna: noodweg 2).
[geïntimeerde 1] heeft noodweg 2 rond het jaar 2010 met een poort afgesloten. [appellant] is toen met zijn landbouwmachines een andere route gaan gebruiken om vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan, namelijk via het reeds genoemde zandpad aan de rechterzijde van het perceel [perceel 2] , maar dan tot het einde van perceel [perceel 2] en vervolgens langs de achterste perceelgrens van perceel [perceel 2] naar perceel [perceel 1] (hierna: noodweg 3). Perceel [perceel 2] grenst aan de achterzijde (bezien vanaf de [straatnaam]) aan een perceel met een boomgaard. Dat perceel is eveneens van [geïntimeerde 1] en wordt door hem verhuurd aan een boomkwekerij.
6.2.
[geïntimeerde 1] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat [appellant] met zijn landbouwmachines gebruik moet maken van noodweg 1 en niet van noodweg 2 dan wel noodweg 3. Hij vorderde in eerste aanleg – kort gezegd – dat het [appellant] zou worden verboden om anders dan via noodweg 1 vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan, dit op verbeurte van een dwangsom. Hij vorderde tevens de veroordeling van [appellant] tot betaling van buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
[appellant] vorderde in reconventie, na wijziging van zijn eis (kort gezegd):
primair: een verklaring voor recht dat hij gerechtigd was om perceel [perceel 2] te gebruiken teneinde vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan;
subsidiair: om noodweg 2 aan te wijzen als noodweg;
meer subsidiair: om enige andere noodweg over perceel [perceel 2] aan te wijzen als noodweg,
alsmede om [geïntimeerde 1] te verbieden de bestaande c.q. de aan te wijzen noodweg te blokkeren of te belemmeren, dit op verbeurte van een dwangsom, en tevens om [geïntimeerde 1] te veroordelen in de proceskosten.
6.3.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 29 augustus 2012, na een descente en een comparitie van partijen, vastgesteld dat noodweg 1 als gevolg van een wijziging van omstandigheden niet meer geschikt is om te dienen als noodweg voor de landbouwmachines van [appellant] . De rechtbank heeft geconcludeerd dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] in conventie niet toewijsbaar zijn.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank verder (in reconventie) aan [appellant] opgedragen te bewijzen dat (kort gezegd) zijn vader in 1993 met [geïntimeerde 1] heeft afgesproken dat hij noodweg 2 als noodweg mocht gebruiken.
In het eindvonnis van 13 februari 2013 heeft de rechtbank (kort gezegd) :
- in conventie de vorderingen van [geïntimeerde 1] afgewezen, en in reconventie:
- het verzoek van [geïntimeerde 1] om hem toe te staan [eigenaar perceel 3] met toepassing van artikel
118 Rv in de procedure op te roepen afgewezen;
- geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in de aan hem gegeven bewijsopdracht;
- de primaire en subsidiaire vorderingen van [appellant] afgewezen;
- de meer subsidiaire vordering van [appellant] toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank
noodweg 3 als noodweg in de zin van artikel 5:57 BW heeft aangewezen, met bepaling dat
[appellant] voor dit gebruik jaarlijks een bedrag van € 1.500,- aan [geïntimeerde 1] moet betalen,
alsmede de eventuele kosten voor de aanleg van noodweg 3;
- aan [geïntimeerde 1] verboden om noodweg 3 te (doen of laten) blokkeren;
- [geïntimeerde 1] veroordeeld in de proceskosten in reconventie;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
6.4.
De grief van [appellant] in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] voor het gebruik van noodweg 3 jaarlijks aan [geïntimeerde 1] een bedrag van € 1.500,- dient te betalen alsmede de eventuele kosten voor de aanleg van die noodweg.
De grieven 1, 2, 6, 7 en 8 van [geïntimeerde 1] in het incidenteel appel zijn gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [geïntimeerde 1] om te bepalen dat [appellant] (uitsluitend) gebruik mag maken van noodweg 1 om vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan en tegen de aanwijzing van noodweg 3 als noodweg in de zin van artikel 5:57 BW.
Grief 3 in incidenteel appel is gericht tegen de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] om [appellant] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten.
Grief 4 in incidenteel appel is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van [geïntimeerde 1] om hem toe te staan [eigenaar perceel 3] met toepassing van artikel 118 Rv in het geding op te roepen.
De grieven 5 en 9 in incidenteel appel zijn gericht tegen de beslissingen van de rechtbank inzake de proceskosten.
De tiende incidentele grief is een zogenaamde veeggrief zonder zelfstandige betekenis.
6.5.
[geïntimeerde 1] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd met een (subsidiaire) vordering om [appellant] te veroordelen, bij aanwijzing van een noodweg, aan [geïntimeerde 1] een bedrag van
€ 1.500,- per jaar te voldoen, en de kosten voor de aanleg van de noodweg voor zijn rekening te nemen.
Tegen deze eisvermeerdering is geen bezwaar gemaakt. De eisvermeerdering is niet in strijd met een goede procesorde. Het hof zal in hoger beroep recht doen op basis van de vermeerderde eis.
6.6.
Partijen zijn het er in hoger beroep over eens dat noodweg 1, die tot 1993 door de rechtsvoorgangers van [appellant] werd gebruikt, een openbare weg is in de zin van de Wegenwet.
[geïntimeerde 1] verbindt hieraan de conclusie dat artikel 5:57 BW niet van toepassing is, aangezien [appellant] zijn perceel [perceel 1] via een openbare weg kan bereiken.
Naar het oordeel van het hof is deze conclusie onjuist. De rechtbank heeft bij gelegenheid van de descente en comparitie van partijen op 24 juli 2012 geconstateerd dat noodweg 1 ongeschikt is om met landbouwmachines vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan. Die constatering is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden:
- rond 2009 is op perceel [perceel 3] van [eigenaar perceel 3] aan de uiterst rechterzijde (bezien vanaf de
[straatnaam]) een vier meter brede betonweg aangelegd die werd gebruikt als bouwweg
voor een nieuwbouwwijk van de gemeente [woonplaats] en nu nog de bestemming heeft
van calamiteitenweg; [eigenaar perceel 3] heeft langs de betonweg, op de grens tussen de perceel
[sectienummer 3] en [perceel 2] , paaltjes met prikkeldraad gezet;
- tussen de paaltjes met prikkeldraad en een oude hoge beukenhaag op perceel [perceel 2] is (op
perceel [perceel 2] van [geïntimeerde 1] ) een ruimte van 2.20 meter breed overgebleven, welke ruimte
te smal is voor landbouwwerktuigen;
- bovendien is de overgebleven weg op het perceel van [geïntimeerde 1] door de zachte ondergrond
en door kuilen en gaten niet begaanbaar voor landbouwwerktuigen.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, voldaan aan het vereiste in artikel 5:57 BW dat [appellant] vanaf zijn perceel [perceel 1] geen
behoorlijketoegang heeft tot een openbare weg, zodat hij aanspraak kan maken op de aanwijzing van een noodweg.
In dit verband is mede van belang dat ingevolge artikel 6 van de Wegenwet een beperking in het gebruik van een openbare weg mede mag worden aangenomen op grond van de gesteldheid van de weg.
Van belang is verder dat partijen het erover eens zijn dat onduidelijk is wat de exacte situering is van de openbare weg naar het perceel [perceel 1] ( op het perceel [perceel 3] van [eigenaar perceel 3] dan wel op perceel [perceel 2] van [geïntimeerde 1] dan wel op beide percelen) en dat het exacte traject nog door de gemeente zal moeten worden vastgesteld.
Het voorgaande betekent dat de enkele omstandigheid dat er volgens de wegenlegger een openbare weg loopt vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] ontoereikend is om te concluderen dat de aanwijzing van een noodweg zoals door [appellant] is gevorderd, thans achterwege dient te blijven.
De stelling van [geïntimeerde 1] dat noodweg 1 wél geschikt is om met landbouwmachines vanaf de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] te komen en te gaan moet, in het licht van de hiervoor vermelde constatering van de rechtbank bij gelegenheid van de descente en comparitie van partijen, als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof niet toe.
6.7.
Het voorgaande betekent dat de incidentele grieven 1, 2, 6, 7 en 8 van [geïntimeerde 1] falen.
6.8.
De vierde incidentele grief van [geïntimeerde 1] is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek om hem in de gelegenheid te stellen om met toepassing van artikel 118 Rv [eigenaar perceel 3] in het geding op te roepen.
Die grief faalt eveneens. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] de aanwijzing van een noodweg over het perceel van [geïntimeerde 1] vordert en niet (als alternatief) de aanwijzing van een noodweg over een ander perceel.
Daar komt bij dat uit de overgelegde overeenkomst die is gesloten tussen [eigenaar perceel 3] en de gemeente [gemeente] (productie 7 bij de akte van [geïntimeerde 1] d.d. 5 december 2012) blijkt dat ten behoeve van de gemeente [gemeente] een erfdienstbaarheid is gevestigd om over de calamiteitenweg te komen en te gaan, met bepaling dat de weg moet worden afgesloten en uitsluitend mag worden gebruikt door de grondeigenaar en door hulpverlenende instanties, dit op verbeurte van een door [geïntimeerde 1] te verbeuren boete voor iedere overtreding van dit verbod.
Dit betekent naar het oordeel van het hof dat het (uitsluitend) oproepen van [geïntimeerde 1] zinloos is, omdat ook de gemeente [gemeente] rechten kan doen gelden met betrekking tot de strook grond die grenst aan perceel [perceel 2] .
Het hof merkt tenslotte nog op dat door [geïntimeerde 1] niet is aangevoerd dat perceel [perceel 3] beter geschikt zou zijn dan perceel [perceel 2] als het gaat om de aanwijzing van een noodweg ten behoeve van perceel [perceel 1] .
6.9.
Omdat de vorderingen van [geïntimeerde 1] met betrekking tot de aanwijzing van een noodweg naar perceel [perceel 1] terecht door de rechtbank zijn afgewezen, is ook zijn vordering tot vergoeding van de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten terecht afgewezen. De incidentele grief 3 van [geïntimeerde 1] faalt dan ook.
6.10.
De grief van [appellant] in principaal appel is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellant] voor het gebruik van noodweg 3 jaarlijks een bedrag van € 1.500,- aan [geïntimeerde 1] moet betalen, alsmede de eventuele kosten voor de aanleg van de noodweg.
Wat betreft de jaarlijkse vergoeding van € 1.500,- voert [appellant] drie bezwaren aan:
a. a) er loopt een openbare weg van de [straatnaam] naar perceel [perceel 1] zodat artikel 5:57 BW
niet van toepassing is;
b) de rechtbank is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, aangezien [geïntimeerde 1] geen
vordering had ingesteld tot betaling van een jaarlijkse vergoeding;
c) het bedrag van € 1.500,- per jaar is niet onderbouwd en buitenproportioneel.
Naar het oordeel van het hof is het onder a) genoemde bezwaar onbegrijpelijk: [appellant] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat noodweg 1 ongeschikt is en dat daarom een andere noodweg moet worden aangewezen. Die vordering is toegewezen in die zin dat de rechtbank noodweg 3 als noodweg in de zin van artikel 5:57 BW heeft aangewezen. Met die beslissing kan [appellant] zich kennelijk verenigen want tegen de aanwijzing van noodweg 3 heeft hij niet gegriefd. Naar het oordeel van het hof is de consequentie hiervan dat, gelet op het bepaalde in artikel 5:57 lid 1 BW, beoordeeld zal moeten worden of er grond bestaat voor de vaststelling van een schadevergoeding ten behoeve van [geïntimeerde 1] .
Het onder b) genoemde bezwaar is – wat er ook van zij – thans niet relevant meer omdat [appellant] zijn eis op dit punt heeft vermeerderd.
Het onder c) genoemde bezwaar is door [appellant] als volgt onderbouwd:
- betwist wordt dat [geïntimeerde 1] schade lijdt als gevolg van het gebruik van noodweg 3 door
[appellant] . Volgens hem gaat het om het gebruik van een zeer beperkt stuk grond en slechts
een paar keer per jaar;
- de gemiddelde pachtprijs per ha bedraagt € 1.800,- tot € 2.000,- per jaar (in zijn memorie
van antwoord in incidenteel appel noemt [appellant] een pachtprijs van € 500,- tot € 600,- per
ha per jaar maar op die stelling heeft [geïntimeerde 1] niet kunnen reageren zodat het hof daarmee
geen rekening houdt). Volgens [appellant] is ook in dit licht bezien, een vergoeding van
€ 1.500,- per jaar buitenproportioneel.
6.11.
[geïntimeerde 1] acht de door de rechtbank vastgestelde vergoeding wél redelijk. Hij voert hiertoe het volgende aan:
- door de aanwijzing van de noodweg is sprake van een aanzienlijke waardedaling van
perceel [perceel 2] ;
- gedurende een periode van zes tot acht weken per jaar wordt de noodweg intensief gebruikt
en niet slechts een paar keer per jaar zoals [appellant] ten onrechte stelt.
6.12.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Ook als juist is zoals [geïntimeerde 1] stelt, dat de noodweg gedurende een periode van zes tot acht weken intensief wordt gebruikt, dan nog geldt dat slechts een beperkte strook grond aan de rechter zijkant en aan het eind van perceel [perceel 2] (bezien vanaf de [straatnaam]) gedurende een beperkte periode per jaar wordt gebruikt, waarbij mede van belang is dat deze grond, zoals door [appellant] onweersproken is gesteld, ook door de huurder van de boomgaard wordt gebruikt als uitweg naar de [straatnaam]. Gelet hierop en mede gelet op de door [appellant] genoemde pachtprijzen, acht het hof een schadeloosstelling van € 1.500,- per jaar inderdaad buitenproportioneel. Naar het oordeel van het hof is een vergoeding van € 300,- per jaar redelijk.
De grief van [appellant] in het principaal appel is in zoverre gegrond.
6.13.
Tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellant] de eventuele kosten voor de aanleg van noodweg 3 voor zijn rekening moet nemen heeft [appellant] als enige bezwaar aangevoerd dat [geïntimeerde 1] op dit punt geen vordering had ingesteld. Dit bezwaar is niet relevant meer omdat [geïntimeerde 1] inmiddels op dit punt wél een vordering heeft ingesteld. De grief van [appellant] in het principaal appel is in zoverre ongegrond.
6.14.
Gelet op de hiervoor genomen beslissingen heeft de rechtbank [geïntimeerde 1] terecht in de proceskosten veroordeeld, zowel in conventie als in reconventie. Dit betekent dat de incidentele grieven 5 en 9 van [geïntimeerde 1] falen.
6.15.
Beide partijen hebben in hoger beroep in algemene termen bewijs van hun stellingen aangeboden. Dat aanbod wordt als te vaag gepasseerd. Er zijn immers geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.
6.16.
De slotsom is dat de vonnissen waarvan beroep moeten worden bekrachtigd, behoudens voor zover de rechtbank voor het gebruik van noodweg 3 een jaarlijkse vergoeding van
€ 1.500,- heeft vastgesteld. Het hof zal op dit punt opnieuw recht doen en de vergoeding vaststellen op € 300,- per jaar.
Het hof zal, gelet op de uitkomst van de procedure in hoger beroep, de kosten van het principaal appel compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen. In incidenteel appel zal het hof [geïntimeerde 1] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten.

7.De uitspraak

Het hof:
op het principaal en incidenteel hoger beroep
vernietigt de vonnissen waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover de rechtbank in het eindvonnis heeft bepaald dat [appellant] voor het gebruik van de door de rechtbank aangewezen noodweg jaarlijks een vergoeding van € 1.500,- aan [geïntimeerde 1] dient te betalen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat [appellant] voor het gebruik van de door de rechtbank in het eindvonnis waarvan beroep aangewezen noodweg jaarlijks een vergoeding van € 300,- aan [geïntimeerde 1] dient te betalen;
wijst af het meer of anders gevorderde;
bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;
compenseert de kosten van het principaal appel in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen;
veroordeelt [geïntimeerde 1] in de kosten van het incidenteel appel en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] op € 447,- voor salaris van de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.C.J. van Craaikamp en W.J.J. Beurskens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2016.
griffier rolraadsheer