Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met een productie.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellante woonde vanaf 6 juni 2014 met haar dochter bij haar grootvader in een woonwagen op een standplaats die door geïntimeerde werd verhuurd. Na het onverwachte overlijden van haar grootvader op 26 juni 2014 vorderde appellante voortzetting van de huurovereenkomst op eigen naam. De kantonrechter wees deze vordering af en veroordeelde appellante tot ontruiming.
In hoger beroep stond centraal of appellante voldeed aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 3 BW Pro, met name of sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar grootvader. Het hof oordeelde dat appellante onvoldoende feiten had gesteld om dit aannemelijk te maken. De korte duur van circa twintig dagen samenwonen en het ontbreken van aanwijzingen voor een duurzame intentie waren doorslaggevend.
Het hof verwierp ook de overige grieven en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellante werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest benadrukt dat tijdelijke samenwoning niet leidt tot voortzetting van huurrecht na overlijden van de huurder.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat appellante de huur van de standplaats niet kan voortzetten wegens het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar grootvader.