Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vrouw, bijgestaan door mr. Matze;
- de man, bijgestaan door mr. De Rijk.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen zijn in 1989 in Marokko gehuwd en hebben drie minderjarige kinderen. Zij bezitten zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit. De man startte op 17 maart 2014 een echtscheidingsprocedure in Nederland, terwijl de vrouw stelde dat zij reeds op 16 januari 2014 een verzoekschrift tot echtscheiding in Marokko had ingediend.
De vrouw betwistte de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en voerde aan dat de procedure in Marokko eerder was gestart, maar het hof stelde vast dat de officiële documenten en verklaringen van de griffie van de rechtbank in Nador wezen op een indieningsdatum van 18 april 2014. De vrouw kon niet overtuigend aantonen dat het verzoekschrift daadwerkelijk op 16 januari 2014 was ingediend.
De man voerde aan dat de Marokkaanse procedure pas na een wettelijke verzoeningsperiode van kracht kon zijn en dat het verzoek van de vrouw mogelijk geen echtscheidingsverzoek betrof, maar een alimentatieprocedure. Het hof volgde de rechtbank in de conclusie dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat het verzoek van de man eerder was ingediend.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en wees het verzoek van de vrouw af. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 12 mei 2016.
Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en wijst het verzoek van de vrouw af.