Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1]
[geïntimeerde 2],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 224585/HA ZA 11-86)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
bij de levering in 2002 niet te goeder trouw was. Voor de vraag of [bewoners] c.s. zich redelijkerwijs als rechthebbende op de strook grond mocht beschouwen, zijn alle feiten en omstandigheden van belang. Bij de beoordeling hiervan is de feitelijke situatie ten tijde van de inbezitneming van belang. [bewoners] c.s. heeft aangevoerd dat hij, net als de andere eigenaren, de geluidswal als afbakening van de erfgrens heeft mogen beschouwen, omdat de natuurlijke erfafscheiding het begin van de geluidswal vormt. Verder zijn in de tuin van [bewoners] c.s. geen buizen of andere herkenningspunten zichtbaar ter aanduiding van de kadastrale grenzen. Nu kadastrale gegevens en kaarten geen onderdeel uitmaken van de openbare registers en gesteld noch gebleken is dat [bewoners] c.s. bij gelegenheid van de levering in 2002 kennis heeft genomen van een kadastrale kaart (er is ook niet gebleken dat zich een dergelijke kaart bij de akte bevond), die voor hem aanleiding had kunnen vormen om zich nader te laten informeren bij het kadaster, kan het beroep op artikel 3:23 BW Pro de gemeente niet[kan]
baten. (…)”
partijenis geweest om op 20 december 1991 een perceel grond met een grotere oppervlakte dan 19 m2, vallend buiten de grenzen van perceel [perceelnummer 2] zoals aangeduid op de tekening, in eigendom over te dragen, te weten de strook waarvan de Gemeente in deze procedure ontruiming vordert.
‘een instantie’het perceel had uitgezet door middel van piketpaaltjes en dat deze paaltjes waren aangebracht op de voor iedereen aangemerkte grens, te weten op het punt waar de geluidswal begint.
bezitvan de strook komen de stellingen van [geïntimeerden] erop neer dat [(schoon)ouders] de strook , evenals de grond tussen de strook en de oorspronkelijke achtertuin, enige tijd zonder recht hebben gebruikt en dat zij al deze grond vervolgens, sinds 1985-1986, hebben gehuurd van de Gemeente. Vanaf dat moment hebben [(schoon)ouders] ook volgens de stellingen van [geïntimeerden] de strook dus gehouden voor de Gemeente. Partijen zijn het erover eens dat aan de huurovereenkomst een einde is gekomen op het moment van de levering in december 1991. Daarmee is een einde gekomen aan het houderschap van de strook door [(schoon)ouders] . Dat [(schoon)ouders] sinds december 1991 bezitters zijn geweest van de strook heeft [geïntimeerden] deugdelijk onderbouwd, door erop te wijzen dat [(schoon)ouders] de uit de periode van huur en verhuur daterende coniferen hebben gehandhaafd en dat zij na het einde van hun huurderschap het exclusieve gebruik van de strook ook overigens hebben voortgezet, terwijl zij zich vanaf dat moment, gelet op de situatie ter plaatse én de bepaling in de akte van levering inzake het feitelijk gebruik dat voortaan als eigenaar kon worden voortgezet, als eigenaren hebben beschouwd.
‘de aanwijzing is gedaan door een ambtenaar van voornoemde gemeente aan de toekomstige eigenaren’en dat verderop in het metingsverslag van 12 juni 1991 onder het kopje
‘Aanwijs 3-6-91’onder meer
‘Dhr. [geïntimeerde 2] ’wordt genoemd.
onafgebrokenbezit van de strook
gedurende tien jaren. Tussen partijen staat namelijk vast dat de eerste sommatie tot ontruiming van de strook zijdens de Gemeente dateert van juni 2009, terwijl is gesteld noch gebleken dat in de tussentijd verandering is gekomen in het bezit van de strook.
te goeder trouwwaren. Het hof stelt in verband hiermee voorop dat, in gevolge het bepaalde in artikel 3:118 lid 2 BW Pro, de aanwezigheid van deze goede trouw wordt verondersteld en dat het aan de Gemeente is om het tegendeel te bewijzen (anders dan de Gemeente lijkt te veronderstellen brengt het bepaalde in artikel 3:119 lid 2 BW Pro hierin geen verandering). Van de Gemeente mag daarom worden verwacht dat zij haar stelling dat geen sprake is van goede trouw bij [(schoon)ouders] zowel feitelijk als juridisch deugdelijk onderbouwt.
moetenzijn, heeft de Gemeente niet aangevoerd. Het hof wijst er in dit verband op dat tussen partijen op zichzelf vaststaat dat het in 1991 de bedoeling van zowel [(schoon)ouders] als de Gemeente was om te leveren hetgeen tot op dat moment aan hen werd verhuurd en dat de verkoop/levering daarom in het feitelijke gebruik geen verandering zou brengen. Het is deze bedoeling waarop de stelling van [geïntimeerden] dat haar rechtsvoorgangers in 1991 hebben gekocht wat door hen feitelijk in gebruik was en dat de levering plaatsvond met het doel om het verschil tussen de kadastrale gegevens en de werkelijkheid op te heffen (zie de verklaring van [getuige] , overgelegd als onderdeel van productie 1 bij de cva), kennelijk betrekking heeft. Anders dan de Gemeente bij herhaling heeft gesteld, kan het hof hierin niet lezen dat [geïntimeerden] erkent dat [(schoon)ouders] tot het moment van de levering van perceel [perceelnummer 2] alleen dat perceel als huurders in gebruik hadden.
4.Beslissing
24 mei 2016voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige( n ) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;