Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
ten aanzien van beide appellantende toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 15 januari 2016 tussentijds beëindigd, nu feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest de verzoeken af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en Pro lid 2 Fw. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van beide appellanten door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.