ECLI:NL:GHSHE:2016:1307

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 april 2016
Publicatiedatum
5 april 2016
Zaaknummer
200.161.079_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 Wck (oud)Art. 9a Algemene Voorwaarden Doorlopend KredietArt. 211a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk WetboekArt. 62 BW Boek 7Art. 63 BW Boek 7
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis afwijzing opeising krediet wegens ontbreken deugdelijke grondslag

Op 23 december 2008 sloten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een doorlopend kredietovereenkomst met Voordeelbank B.V. met een kredietlimiet van € 15.085. Door betalingsachterstanden stelde de incassogemachtigde van Voordeelbank B.V. hen bij brief van 10 december 2013 in gebreke en eiste de bank later het volledige krediet ineens op. De kredietvordering werd aan [appellante] gecedeerd, die vervolgens een hoofdelijke veroordeling tot betaling van het openstaande bedrag vorderde.

De kantonrechter wees de vordering af wegens het ontbreken van een toereikende feitelijke grondslag, met name omdat niet was voldaan aan de eisen van de Wet op het consumentenkrediet (oud). In hoger beroep stelde [appellante] dat de kredietnemers meer dan twee maandtermijnen onbetaald hadden gelaten en correct in gebreke waren gesteld, waardoor opeising gerechtvaardigd was.

Het hof oordeelde dat [appellante] geen voldoende feitelijke onderbouwing had gegeven dat er sprake was van een betalingsachterstand van meer dan twee maanden op een vervallen maandtermijn op het moment van ingebrekestelling. De opeising was derhalve niet gegrond. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de opeising van het krediet afwijst wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.161.079/01
arrest van 5 april 2016
in de zaak van
[Portofolio Holding] Portfolio Holding Ltd.,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk),
appellante,
hierna aan te duiden als: [appellante],
advocaat: mr. A. Gras te Apeldoorn,
tegen

1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],

2.
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2],
in hoger beroep niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 8 december 2014 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis van 26 november 2014 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3549220 CV EXPL 14-11562)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • het tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verleende verstek;
  • de memorie van grieven.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.1.
Op 23 december 2008 heeft Voordeelbank B.V. met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een doorlopend kredietovereenkomst gesloten, waarbij Voordeelbank B.V. aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een krediet heeft verstrekt tot ten hoogste € 15.085,--. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dienden het verstrekte krediet, vermeerderd met de verschuldigde kredietvergoeding ad 9,8% per jaar, aan Voordeelbank B.V. terug te betalen in maandelijkse termijnen van – in de eerste vijf jaren – tenminste de kredietvergoeding met een minimum van € 50,-- en – na deze periode – van 1,5% van de overeengekomen kredietlimiet.
3.1.2.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben een betalingsachterstand laten ontstaan, waarna de incassogemachtigde van Voordeelbank bij brief van 10 december 2013 onder meer het volgende aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] heeft geschreven:
"(…)
Betalen
Betaal binnen vijf dagen na dagtekening van deze brief uw betalingsachterstand van € 438,42, op rekeningnummer (…).
Bureau Krediet Registratie (BKR)
Als u uw betalingsachterstand niet binnen de gestelde termijn betaalt en ook geen (andere) betalingsregeling met ons afspreekt, dan stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke. Wij kunnen dan uw krediet opeisen. Dit betekent dat wij u dan verplichten om uw totale schuld in een keer terug te betalen. (…)"
3.1.3.
Namens Voordeelbank B.V. is het uitstaande saldo van het krediet bij brief van 20 maart 2014 aan [geïntimeerde 2] en bij brief van 25 maart 2014 aan [geïntimeerde 1] ineens opgeëist.
3.1.4.
Bij brief van 27 maart 2014 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verzocht een betalingsregeling te treffen van € 100,-- per maand. Bij brief van 25 april 2014 heeft de deurwaarder dit verzoek namens Voordeelbank B.V. van de hand gewezen omdat een dergelijke betalingsregeling de gehanteerde maximale aflossingsperiode overschrijdt. De deurwaarder schrijft dat een betalingsregeling van minimaal € 150,-- per maand wel mogelijk is.
3.1.5.
Voordeelbank B.V. heeft haar vordering op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan [appellante] gecedeerd. De cessie is bij brief van 2 juni 2014 aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] medegedeeld.
3.2.
In de inleidende dagvaarding van 17 oktober 2014 heeft [appellante] de hoofdelijke veroordeling gevorderd van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2], uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan haar van een bedrag van € 15.632,53, te vermeerderen met de overeengekomen vertragingsvergoeding van 9,8% per jaar vanaf 7 oktober 2014 tot de dag der algehele voldoening, met de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.
3.3.
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben in eerste aanleg in persoon het verweer gevoerd dat onder meer door werkloosheid financiële problemen zijn ontstaan, dat zij bezig zijn de ontstane betalingsachterstanden weg te werken en dat zij verwachten over één jaar € 150,-- per maand te kunnen afbetalen op hun lening.
3.4.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen "bij gebrek aan toereikende feitelijke grondslag" omdat naar het oordeel van de kantonrechter in de brief van 10 december 2013 niet is voldaan aan de eisen van de Wet op het consumentenkrediet.
3.5.
[appellante] is tijdig in hoger beroep gekomen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn in hoger beroep niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.
3.6.
[appellante] heeft drie grieven aangevoerd.
3.6.1.
De in het geding zijnde kredietovereenkomst is op 23 december 2008 tot stand gekomen. Op deze overeenkomst, een doorlopend krediet, zijn vanaf 25 mei 2011 van toepassing de bepalingen van de Wet op het consumentenkrediet – hierna: Wck (oud) – zoals deze golden op 23 december 2008, alsmede de in artikel 211a lid 2 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek vermelde artikelen 62, 63, 65, 69 en 70 lid 2 van titel 2A van Boek 7 BW betreffende consumentenkredietovereenkomsten, welke artikelen per 25 mei 2011 in werking zijn getreden. Het hof dient – evenals de kantonrechter klaarblijkelijk heeft gedaan – ambtshalve te beoordelen of aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wck (oud) is voldaan.
3.6.2.
De vraag die [appellante] met haar grieven in het bijzonder ter beoordeling aan het hof voorlegt is of [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op 10 december 2013 op correcte wijze in gebreke zijn gesteld. Afgezien van deze vraag is het volgende van belang.
3.6.3.
In de inleidende dagvaarding heeft [appellante] gesteld dat de restantschuld en al hetgeen gedaagden aan haar zijn verschuldigd ineens opeisbaar is conform het bepaalde in artikel 9a van de toepasselijke
Algemene Voorwaarden Doorlopend Kredietomdat gedaagden
"meer dan twee maandtermijnen onbetaald [hebben] gelaten"en eiseres
"gedaagden op 10 december 2013 in gebreke [heeft] gesteld omdat zij een achterstand van twee maandtermijnen hadden laten ontstaan".
Bedoeld artikel 9a, dat overeenstemt met het bepaalde in artikel 33 aanhef Pro en onder c sub 1 van de Wck (oud) bepaalt onder meer:
In de hierna sub a-f genoemde gevallen is Kredietgever gerechtigd betaling ineens te eisen van het krachtens deze overeenkomst verschuldigde, eventueel te vermeerderen met vertragingsvergoeding:
a) Cliënt meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallenmaandtermijn en na in gebreke te zijn gesteld nalatig blijft in de nakoming vanzijn verplichting (…).
3.6.4.
Het hof is van oordeel dat [appellante] met haar hiervoor onder 3.6.3 aangehaalde stelling dat gedaagden – [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] – op enig moment meer dan twee maandtermijnen onbetaald hebben gelaten, dan wel een achterstand van twee maandtermijnen hadden laten ontstaan waarvoor zij in gebreke zijn gesteld, een ontoereikende grondslag heeft gesteld voor haar vordering. Eén van de vereisten voor algehele opeising is immers dat de kredietnemer in gebreke wordt gesteld voor een betalingsachterstand van meer dan twee maanden van een vervallen maandtermijn en dat heeft [appellante] niet gesteld.
Nu uit artikel 2 derde Pro regel van de kredietovereenkomst blijkt dat de vervaldag van de respectieve maandtermijnen de laatste dag van de maand was, betekende een achterstand van twee maandtermijnen per 10 december 2013, althans zonder nadere toelichting die ontbreekt en gezien de regel van artikel 6:43 lid 2 BW Pro, niet dat er reeds sprake was van een achterstand van een maandtermijn gedurende meer dan twee maanden. De betreffende termijnen moeten immers – nu niet anders is gesteld of gebleken – de maandtermijnen zijn geweest die op 31 oktober 2013 en 30 november 2013 waren vervallen.
3.6.5.
In hoger beroep heeft [appellante] evenmin een deugdelijke grondslag gesteld voor haar vordering. Onder punt 4 in de memorie van grieven heeft zij gesteld dat
"geïntimeerden meerdere maandtermijnen onbetaald hebben gelaten"en onder punt 14 heeft [appellante] gesteld:
"De feitelijke opeising van het krediet waarbij aanspraak wordt gemaakt op het exacte bedrag van het krediet vermeerderd met de kredietvergoeding vindt eerst plaats bij de opeisingsbrieven d.d. 20 maart en 25 maart 2014 (…). Op dat moment waren geïntimeerden (meer dan) twee maanden achterstallig in de betaling van vervallen termijnbedragen (…)."Deze stellingen voldoen evenmin aan de eis dat een deugdelijke grondslag moet worden gesteld. De stelling onder punt 4 van de memorie van grieven is te vaag en voor de stelling onder punt 14 geldt dat [appellante] hiermee miskent dat sprake moet zijn van een meer dan twee maanden durende betalingsachterstand van een maandtermijn reeds
op het moment van ingebrekestelling(en niet op het moment van algehele opeising).
Het voorgaande klemt te meer omdat in beide instanties een feitelijke onderbouwing van de achterstand ontbreekt. Het had op de weg van [appellante] gelegen ook te onderbouwen welke vervallen maandtermijn(en) op enig moment meer dan twee maanden achterstallig was dan wel waren.
3.6.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen. Dat betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep:
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, J.I.M.W. Bartelds en R.R.M. de Moor en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 april 2016.
griffier rolraadsheer