De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het bezit en de handel in hasjiesj. In hoger beroep wijzigde de officier van justitie de tenlastelegging in de oproeping naar het bezit en de handel in qat, een ander middel, zonder gebruik te maken van de wettelijk voorgeschreven procedure voor wijziging van de strafbeschikking.
Het hof oordeelde dat deze wijziging zonder tussenkomst van de rechter en zonder de verdachte correct in kennis te stellen een schending van de goede procesorde vormt. Hierdoor is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de strafbeschikking ingetrokken. De zaak werd niet inhoudelijk behandeld vanwege het procesrechtelijke verzuim van de officier van justitie.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte procedurele stappen bij wijziging van de tenlastelegging na verzet tegen een strafbeschikking, om de rechten van de verdachte te waarborgen.