Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.PREVIA ONDERHOUD B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[gedaagde] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het verloop van de procedure
- de dagvaarding van 14 augustus 2014;
- de akte overlegging producties van Aan de Amstel met producties van 4 november 2014;
- de conclusie van antwoord van 13 januari 2015;
- de conclusie van repliek met producties van 3 maart 2015;
- de conclusie van dupliek van 14 april 2015;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 7 augustus 2015 door mr. Star Busmann toegezonden productie, die
2.De feiten
‘Uit 4.4 vloeit voort dat voor de vaststelling van de nietigheid van de cessie beoordeeld moet worden of op 31 januari 2012 een geding aanhangig was over de gecedeerde vordering. In het onderhavige geval betrof dit de vordering van Previa op AA Accountants[= Aan de Amstel, hof]
, [indirecte bestuurder 1] en [indirecte bestuurder 2] . Tussen partijen staat vast dat de dagvaarding waarbij deze vordering bij de rechtbank Amsterdam aanhangig is gemaakt niet eerder dan in maart 2012 is uitgebracht. Voor die tijd was echter al uitgebreid gecorrespondeerd, waarbij ook steeds aanspraak was gemaakt op een bedrag van € 82.013,93. Reeds in november 2011 waren dagvaarding en beslagrekest gereed gemaakt (…). Daarbij was [gedaagde] steeds de advocaat van Previa. Deze voorbereidingshandelingen zijn dusdanig concreet geweest dat in ieder geval vanaf 3 november 2011 voor Previa en [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat een geding aanhangig zou worden gemaakt. Dit blijkt ook duidelijk uit artikel 6 van Pro de overeenkomst waarbij de cessie tot stand is gekomen (…). Daarin is immers reeds voorzien dat een procedure gevoerd zou gaan worden en bepaald dat [gedaagde] daarvan de kosten zou dragen. Door AA is bovendien aangevoerd, hetgeen door [gedaagde] niet is betwist, dat Previa op enig moment is opgehouden haar facturen aan [gedaagde] te betalen, waarna de cessie tot stand ie gekomen onder dreiging van [gedaagde] van een faillissementsaanvraag. De omstandigheid dat het geding nog niet aanhangig was gemaakt ten tijde van de cessie lijkt daarom een rechtstreeks gevolg van de wens van [gedaagde] eerst de vordering overgedragen te krijgen. Ten tijde van de cessie, op 31 januari 2012, was dan ook al duidelijk sprake van een belang van [gedaagde] bij de uitkomst van de gerechtelijke procedure die pas daadwerkelijk door hem aanhangig is gemaakt na de totstandkoming van de cessie. Gedurende deze procedure heeft [gedaagde] aan de rechtbank of de wederpartij op geen enkele moment duidelijk gemaakt dat sprake was van een belangenverstrengeling tussen zijn belang in de procedure en het belang dat hij voor deed komen te dienen in die procedure. Onder deze specifieke omstandigheden van dit geval is de rechtbank dan ook van oordeel dat sprake is van een cessie die uit hoofde van artikel 3:43 BW Pro nietig is. Bij dit oordeel is doorslaggevend het doel waarmee dit artikel blijkens de (…) parlementaire geschiedenis in het BW is opgenomen (…)’. Vervolgens wordt in het vonnis als volgt geciteerd uit de parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Invoering 3, 5 en 6, Boek 3 Vermogensrecht in het algemeen, p. 1145):
‘Croes meent vervolgens dat[art. 3:43 BW Pro]
kan worden gemist, omdat de artt.[3:44 lid 4 BW, misbruik van omstandigheden, en 6:162 BW, onrechtmatige daad]
de benodigde bescherming aan de wederpartij van de in de bepaling genoemde personen (…) kunnen bieden. Maar de ratio van de bepaling is niet het bieden van bescherming, doch het dienen van het algemeen belang, gelegen in de onkreukbaarheid van het gerechtelijk apparaat in de ruime zin van het woord. Dit wordt bij Asser-Kamphuisen blz. 46 juist verwoord: “Zelfs de schijn mag niet gewekt worden, dat personen behorende tot het rechtsapparaat in de ruime zin van het woord, belang zouden nemen bij de afloop van een geding (…)”’.De schadevergoedingsvordering en de vordering tot verklaring voor recht in verband met de verrekening zijn door de rechtbank afgewezen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
kunnenleiden is onvoldoende. Het causaal verband tussen de bewust achtergehouden stukken en de beslissing van de arbiter moet min of meer evident zijn. Daarvan is hier geen sprake. Partijen hebben inzake de verrekening een juridisch debat gevoerd. De arbiter is uiteindelijk tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van verrekening. Daarbij is mede gelet op gedragingen van Aan de Amstel. De financiële stukken hadden de arbiter niet tot een ander oordeel geleid. De balans moet een getrouw beeld geven van de stand van het vermogen van de vennootschap. De vordering van Previa op Aan de Amstel vormt een actief; activering op de balans kan niettemin achterwege blijven, bijvoorbeeld omdat de kans klein wordt geacht dat het actief daadwerkelijk waarde heeft, aldus [gedaagde] .
‘door of met medeweten van de wederpartij’is gepleegd. Voor de herroeping op grond van het achterhouden van beslissende stukken geldt iets soortgelijks: dit achterhouden moet zijn geschied
‘door toedoen van de wederpartij’. Zoals het hof heeft overwogen in
haar(althans [gedaagde] ) opstelling tijdens de arbitrale procedure (het aannemen van een valse hoedanigheid, het schenden van artikel 21 Rv Pro, het handelen in strijd met de Gedragsregels voor de advocatuur; zie r.o. 4.5.4.). De hierin - kennelijk - besloten liggende opvatting dat ook [gedaagde] moet worden gezien als ‘wederpartij’ van Aan de Amstel wordt door het hof niet gedeeld. Wederpartij van Aan de Amstel tijdens de arbitrale procedure was uitsluitend Previa. Dat laatstgenoemde in die procedure werd bijgestaan door [gedaagde] , nauw gelieerd aan [advocatenkantoor] , doet daaraan niet af.
enigmaterieel belang had bij de uitkomst van de procedure, nu zij instond voor het bestaan en de overdraagbaarheid van de door haar gecedeerde vordering; zie immers artikel 4 lid 4 van Pro de overeenkomst van cessie). Voor [gedaagde] geldt dat hij tijdens de arbitrale procedure is opgetreden als gemachtigde van Previa, terwijl onvermeld is gebleven dat hij, als nauw betrokkene bij de materiële procespartij [gedaagde] , een financieel belang had bij de uitkomst van de procedure. Van dit een en ander waren Aan de Amstel en de arbiter, zoals genoegzaam vaststaat, niet op de hoogte.
als zodanigde arbiter tot een andere beslissing had kunnen leiden.
‘zal herroepen, althans vernietigen’(zie eerder r.o. 3.1.). Het hof begrijpt dat deze beide alternatieven betrekking hebben op de vordering tot herroeping. Zou deze vordering zijn geslaagd (hetgeen niet het geval is), dan zou het juiste rechtsgevolg zijn geweest (niet de herroeping, maar) de vernietiging van het arbitrale vonnis; zie artikel 1068 lid 3 Rv Pro. Het hof gaat ervan uit dat Aan de Amstel met haar vordering tot herroeping, althans vernietiging niet heeft bedoeld om
primairde herroeping ex artikel 1068 Rv Pro en
subsidiairde vernietiging ex artikel 1064 lid 2 Rv Pro te vorderen. Op basis van het arbitragerecht zoals dat vóór 1 januari 2015 gold (dat hier van toepassing is; zie r.o. 4.4.1.), is het hof niet bevoegd om kennis te nemen van een dergelijke vordering; zie artikel
€ 1.920,-