Uitspraak
5.Het verdere verloop van de procedure
- de memorie van antwoord tevens incidenteel appel;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel.
6.De beoordeling
- Partijen, beiden in het bezit van de Griekse nationaliteit, zijn op 2 oktober 1988 te Eani, Griekenland, gehuwd.
- De man exploiteert vanaf 1994 een Grieks restaurant te [vestigingsplaats] , genaamd Rhodos. Vanaf 11 februari 1995 behoort tot de onderneming ook de exploitatie van een marktkraam op de vrije markt te [vestigingsplaats] .
- Partijen hebben bij notariële akte d.d. 31 maart 2000 een vennootschap onder firma (hierna “de vof” ) opgericht waarin voornoemde onderneming is ingebracht.
- De akte bevat – voor zover in dit geding relevant – de volgende bepalingen:
ONTBINDING”
De vennootschap wordt ontbonden:
In geval de vennootschap wordt ontbonden door echtscheiding (…) worden de activiteiten van de vennootschap voortgezet door diegene der vennoten die daarop in redelijkheid het meeste aanspraak kan maken. (…)
De vennoot aan wie het in artikel 11 bepaalde Pro recht toekomt, moet binnen twee maanden na de ontbinding van de vennootschap schriftelijk meedelen aan de voormalige medevennoot of diens rechtsopvolgers dat hij van dat recht gebruik wil maken, op straffe van verval van het recht.
- Het huwelijk van partijen is op 2 oktober 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 16 juni 2008 in de registers van de burgerlijk stand.
- Tijdens de echtscheidingsprocedure heeft de man in kort geding gevorderd dat de vrouw zal worden bevolen het restaurant te verlaten en niet meer te betreden en geen contact meer met de man te hebben met betrekking tot het restaurant. De man voerde daarbij aan dat hij de meest aanwezen persoon is om de exploitatie van de onderneming voort te zetten. De kort geding rechter heeft bij vonnis van 3 december 2007 de vorderingen van de man toegewezen. Sindsdien exploiteert de man het restaurant alleen.
- Bij kort geding vonnis van 5 maart 2010 is de man veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 12.000,- aan de vrouw in verband met de afrekening van het vennootschapsvermogen.
gezamenlijkeuitoefening van de onderneming redelijkerwijze zwaarder diende te wegen dan het belang van de man. Ook daarna, zo oordeelde de rechtbank, heeft de vrouw geen onvoorwaardelijke keuze gemaakt voor voortzetting van de onderneming door haar. De vrouw, aldus de rechtbank, wenste veeleer alle opties open te houden. De strekking van artikel 12 van Pro de notariële akte is, aldus de rechtbank, om binnen twee maanden duidelijkheid te bieden wie aanspraak maakt op voortzetting van de onderneming. Daarbij overwoog de rechtbank dat artikel 12 lid 1 een Pro vervaltermijn bevat die anders dan een verjaringstermijn niet gestuit kan worden. Een beroep op het voorzettingsrecht dient dan ook uitdrukkelijk en zonder voorbehoud plaats te vinden. Nu de vrouw eerst in de procedure bij de rechtbank – meer dan vijf jaar na het verstrijken van de vervaltermijn – uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aanspraak maakt op het voorzettingsrecht, dient dit recht als vervallen te worden beschouwd.
en passivaalleen maar tot resultaat hebben dat de vrouw op een lager bedrag recht heeft, hetgeen niet de intentie van de vrouw is met het opwerpen van deze grief. Het hof ziet derhalve geen aanleiding een deskundige te benoemen. Grief 5 faalt derhalve.
onclusie