De vrouw voert aan dat de basisbehoefte van [de zoon] dient te worden vastgesteld op basis van het netto besteedbaar inkomen van partijen tot medio 2009, in plaats van het inkomen dat zij hadden in 2011. De vrouw stelt daartoe dat partijen van 2002 tot eind 2011 hebben samengeleefd en de vrouw tot medio 2009 inkomsten uit arbeid heeft gehad. De vrouw stelt zich daarom op het standpunt dat de periode waarin partijen over twee inkomens beschikten, meer representatief en bepalend is voor de welstand waarin zij tijdens het huwelijk hebben geleefd dan de periode na 2009. De vrouw verwijst naar de uitspraken van de Hoge Raad van 24 april 2009, LJN: BG3186 en 23 april 2010 LJN: BL7641, waarin de Hoge Raad onder meer heeft geoordeeld dat in het geval dat het inkomen op het moment van uiteengaan afwijkt van het inkomen waarover partijen lange tijd de beschikking hebben gehad, dient te worden uitgegaan van een langere periode dan wel de periode die representatief is geweest voor de welstand van partijen
.Daarbij komt dat voor [de zoon] na het wegvallen van het salaris van de vrouw medio 2009, niet minder werd uitgegeven dan voorheen het geval was. De vrouw heeft sedertdien deze kosten uit haar vermogen voldaan en verwijst daarbij naar haar berekeningen en onderliggende producties. Ter zitting van het hof heeft de vrouw verklaard dat zij maandelijks een bedrag van circa € 1.500,-- aan haar vermogen heeft onttrokken en dat bedrag heeft aangewend om bij te dragen in de kosten van de huishouding.
Op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2009 bedraagt de basis-behoefte van [de zoon] van € 610,-- (geïndexeerd € 628,--) per maand.
De vrouw voert verder aan dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [de zoon] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met therapiekosten. De vrouw verwijst naar een eindverslag van de therapeut van [de zoon] waarin staat vermeld dat [de zoon] mogelijk een stoornis heeft in het autistisch spectrum, waardoor hij extra hulp nodig heeft. De kosten hiervan worden door de therapeut geschat op een bedrag van € 4.600,-- per jaar. In 2013 zijn geen therapiekosten ten behoeve van [de zoon] gemaakt. De vrouw becijfert de gemiddelde therapiekosten over de periode 2010 tot en met 2014 op een bedrag van € 144,58 per maand, met welk bedrag de basisbehoefte van [de zoon] dient te worden verhoogd. De vrouw heeft ter zitting van het hof verklaard dat in dit bedrag reeds rekening is gehouden met de maximale vergoeding van de ziektekostenverzekeraar van € 640,-- op jaarbasis.
Voorts heeft de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [de zoon] ten onrechte geen rekening gehouden met de reiskosten die de vrouw ten behoeve van [de zoon] maakt en welke – naar de mening van de vrouw – niet zijn verdisconteerd in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen. De vrouw voert aan dat deze reiskosten direct te maken hebben met de autistische stoornis van [de zoon]. [de zoon] volgt vanaf het schooljaar 2012/2013 speciaal basisonderwijs in [plaats] waardoor [de zoon] naar school dient te worden gebracht. Op de dagen dat [de zoon] bij de vrouw verblijft, zorgt de vrouw voor het vervoer naar en van school, neemt zij hem mee naar huis en brengt zij [de zoon] vanuit [plaats] naar sportactiviteiten of clubjes in [plaats] en [plaats]. De vrouw becijfert deze reiskosten op een bedrag van
€ 137,60 per maand. De vrouw heeft ter zitting van het hof nog betoogd dat het geen vrijwillige keuze was om met [de zoon] in [plaats] te gaan wonen.
De vrouw stelt dat de totale geïndexeerde behoefte van [de zoon] in 2013 derhalve
€ 910,18 (€ 628,-- + € 144,58 + € 137,60) per maand bedraagt. De vrouw heeft ter zitting van het hof bevestigd dat zij mogelijk met ingang van 1 januari 2015 aanspraak kan maken op een kindgebonden budget en een alleenstaande ouderkop van in totaal € 340,-- per maand, maar of dit bedrag daadwerkelijk aan haar wordt toegekend is thans nog onzeker. De vrouw heeft ter zitting erkend dat indien dit bedrag aan haar wordt toegekend dit bedrag in mindering op de behoefte van [de zoon] zal strekken.