Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 155585/HAZA 10-1211)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 juni 2012;
- de memorie van grieven d.d. 17 december 2013 met 48 producties;
- de memorie van antwoord d.d. 1 april 2014 met 14 producties;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij brief van 23 juli 2014 door geïntimeerde toegezonden productie, die Maasgrond B.V. bij het pleidooi in het geding heeft gebracht;
- de bij brief van 24 juli 2014 door appellante toegezonden producties, die [Wasserbau] bij het pleidooi in het geding heeft gebracht;
- een akte uitlating na pleidooi zijdens Maasgrond B.V. d.d. 2 september 2014 met drie producties;
- een antwoordakte zijdens [Wasserbau].
3.De beoordeling
om haar werking te behouden” [cursivering hof] binnen acht dagen na het verstrijken van de lopende termijn ter kennis moest worden gebracht van [Wasserbau]. Het hof stelt vast dat het beslag geen beslag als bedoeld in artikel 714 of Pro artikel 718 Rv Pro. betrof, zodat deze voorwaarde niet was voorgeschreven op grond van artikel 700, lid 3, 4e volzin Rv. Op grond van die bepaling verkrijgt de verlenging pas haar werking na de daar bedoelde mededeling. Op grond van de voorwaarde, zoals die door de voorzieningenrechter is geformuleerd, moet echter worden aangenomen dat de verlenging direct werking heeft gekregen voor ten minste 8 dagen en dat binnen die termijn mededeling moest worden gedaan om die werking te behouden. Die mededeling is niet gedaan, zodat de verlenging slechts voor acht dagen is geweest, dus uiterlijk tot op 6 augustus 2010. Op 2 augustus 2010 – en dus binnen die termijn - is beslag 1 opgeheven. Dit is dus niet vervallen bij gebreke aan het instellen van een eis in de hoofdzaak.