De man voert - kort samengevat - het volgende aan.
De man stelt dat hij [dochter 3] op 26 februari 2013 heeft erkend omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij haar biologische vader was. Uit DNA-onderzoek dat is verricht nadat bij de man daarover twijfels waren ontstaan, is gebleken dat hij niet haar biologische vader is. De man heeft derhalve gedwaald op het moment dat hij de ongeboren vrucht erkende. Binnen een jaar nadat hij de dwaling had ontdekt, heeft de man een verzoek ingediend tot vernietiging van de erkenning.
De man stelt dat, als hij had geweten dat hij niet de biologische vader van [dochter 3] is, hij haar niet zou hebben erkend. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de erkenning een bewuste keuze van de man was.
De man kan zich voorts niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat vernietiging van de erkenning thans niet in het belang van [dochter 3] dient te worden geacht. Gelet op de (problematische) financiële positie van de man zouden de financiële gevolgen van de vernietiging van de erkenning bij de beoordeling geen rol mogen spelen. Voorts is de afwezigheid van een ander die bereid zou zijn [dochter 3] te erkennen volgens de vader geen wettelijk vereiste voor de vernietiging van de eerder gedane erkenning.
Bovendien zal de moeder, indien het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank zou komen, een verzoek doen tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de biologische vader, om de biologische vader vervolgens op zijn onderhoudsplicht aan te spreken.
Het is naar de mening van de man overigens in het belang van [dochter 3] dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid.
De man voert voorts aan dat de biologische vader van [dochter 3] geen toenadering tot haar zal zoeken zolang de man haar juridische vader is. Met name de echtgenote van de biologische vader houdt het contact met [dochter 3] nu tegen. Ook de andere kinderen van de biologische vader worden nu angstvallig van [dochter 3] weggehouden. De man en de moeder hebben het vermoeden dat de echtgenote zich anders zal opstellen als de erkenning door de man is vernietigd. Het is in het belang van [dochter 3] te achten dat zij haar biologische vader en haar halfzusjes leert kennen.
De man betwist voorts dat [dochter 3] door de vernietiging van de erkenning een uitzonderingspositie zal krijgen binnen het gezin, reeds op grond van het feit dat in het gezin ook een zoon uit een eerdere relatie van de moeder verblijft, die de achternaam van de moeder draagt.
De moeder verzet zich tot slot niet tegen de vernietiging van de erkenning. De hele situatie brengt wel veel spanningen met zich mee tussen de man en de moeder, die ook hun weerslag zullen krijgen op [dochter 3] indien de huidige situatie in stand blijft.