Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3033805/CV EXPL 14-5314)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de akte overlegging stukken van [appellant];
- de antwoordakte met één productie van Elmefa.
3.De beoordeling
“Omschrijf de situatie waarover u van UWV een oordeel wilt”heeft [appellant] ingevuld:
“of ik mijn werkzaamheden heden nog wel kan uitvoeren sinds die dag”. Bij de vraag
“Welk werk stelt u zelf voor te gaan doen?”Heeft [appellant] ingevuld:
“Mijn eigen werk in het bedrijf waar ik dienst ben.”. Bij de vraag
“Vanaf welke datum wilt u dit werk gaan doen?”heeft [appellant] ingevuld:
“06-03-2014.”.
grief 2keert [appellant] zich tegen afwijzing door de kantonrechter van de vordering tot loonbetaling in de periode vanaf 6 maart 2014 voor zover die vordering was gebaseerd op de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte. Volgens de kantonrechter kon in het kader van het kort geding niet uitgegaan worden van arbeidsongeschiktheid van [appellant].
grief 3wordt als eerste het oordeel van de kantonrechter over periode 3 (24 maart tot 2 april 2014) bestreden. Bij behandeling van die grief heeft [appellant] geen belang. De kantonrechter heeft immers over die periode 100% loon toegewezen terwijl voorshands voldoende vaststaat dat Elmefa dit bedrag onvoorwaardelijk heeft betaald.
grief 4, gekant tegen het oordeel van de kantonrechter over periode 4, zijnde de periode met ingang van 2 april 2014, waarover de loonvordering is afgewezen.
grief 5
grief 6komt [appellant] op tegen afwijzing door de kantonrechter van de gevorderde dwangsom en buitengerechtelijke kosten en tegen matiging van de wettelijke verhoging tot 10%.