Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3481171 \ CV EXPL 14-10615)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis waarvan beroep ex art. 351 Rv Pro, met producties;
- de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde] met productie.
3.De beoordeling
Allereerst heeft het UWV de uitkering(hof: bedoeld is: de Ziektewet-uitkering)
enkel bij wijze van voorschot toegekend.” (rechtsoverweging 4.2.), wordt door de voorzieningenrechter gebezigd ter weerlegging van de stelling van [appellant] dat het feit dat het UWV aan [geïntimeerde] een Ziektewet-uitkering heeft toegekend, zou bewijzen dat er sprake is van een geldig ontslag tijdens de proeftijd, alsmede ter onderbouwing van het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat er tussen [geïntimeerde] en [appellant] geen proeftijd is overeengekomen en er daarom van een geldig ontslag tijdens de proeftijd geen sprake kan zijn.
kanleiden dat [appellant] niet meer aan zijn financiële verplichtingen (de brief spreekt overigens van ‘verplichten’) kan voldoen, waardoor een
eventueelfaillissement
kanontstaan (cursivering: hof). Zo [medewerker van AB+] met ‘de opgelegde boete’ doelt op de door de voorzieningenrechter aan [appellant] opgelegde bedragen, heeft aldus te gelden dat [medewerker van AB+] veel minder stellig is dan [appellant] doet voorkomen.