Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2383471/CV EXPL 13-9762)
2.Het geding in hoger beroep
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
3.De beoordeling
Ik heb u erop gewezen dat indien geen gefinancierde rechtshulp wordt verstrekt mijn werkzaamheden aan U gefactureerd zullen worden conform een uurtarief groot € 180,00 exclusief 19% BTW” .
Hierbij deel ik mede dat ik van de peiljaarverlegging geen gebruik zal maken en dat ik alle kosten uwerzijds zelf zal betalen. Ik zal schriftelijk mijn voorlopige toewijzing laten intrekken. Ik fax u de brief hiervan nog toe. (…)”
“(…) In deze kwestie wordt aan U gefactureerd een bedrag groot €. 180,00, exclusief 5% kantoorkosten en exclusief 19% btw per uur. Ik verleen U hierop 10% korting. (…)”.
Betreft: zaak [appellant]/[voormalig echtgenote appellant] en [appellant]/[appellant]
Uw reactie van 6 december is helder en begrijpelijk. Wij hadden ook al kort telefonisch contact daarover. De toevoegbeschikking is inmiddels dan ook herzien.
dat ik alle kosten uwerzijds zelf zal betalen”. [geïntimeerde] heeft immers niet gesteld dat zij op voldoende duidelijke wijze aan [appellant] heeft meegedeeld dat zij deze mededeling opvatte als een definitieve toezegging van [appellant] om voor de zaak [appellant]/[voormalig echtgenote appellant] af te zien van het nader aanvragen van gefinancierde rechtshulp. Evenmin heeft [geïntimeerde] gesteld dat zij [appellant] over de gevolgen hiervan voldoende (en juist) had voorgelicht en dat zij derhalve uitsluitend nog rechtshulp zou verlenen tegen de in de brief van 15 mei 2007 genoemde tarieven. Dit had wel op de weg van [geïntimeerde] gelegen nu zij in de relatie met [appellant] gold als de professionele contractspartij. Immers, het moet [geïntimeerde] in die hoedanigheid bekend zijn geweest dat zelfs enige tijd na de beëindiging van een opdrachtrelatie tussen partijen de Raad voor de Rechtsbijstand nog een (andere) beslissing kan nemen met betrekking tot een eerdere aanvrage voor een toevoeging gefinancierde rechtshulp en dat dit met terugwerkende kracht financieel voordelige consequenties kan hebben voor de aanvrager, in casu [appellant]. De omstandigheid, dat [appellant] inmiddels enige ervaring had met de Raad voor de Rechtsbijstand en beroepshalve cijfermatig onderlegd was, is in dit kader niet relevant.
De Raad gaat derhalve vanuit dat rechtzoekende zich als betalend cliënt door mr. [advocaat] laat bijstaan”. [geïntimeerde] had als professionele contractspartner moeten beseffen dat deze mededeling slechts gold zolang er niet alsnog een andere beslissing door de Raad voor de Rechtsbijstand was genomen met betrekking tot de aanvrage voor gesubsidieerde rechtsbijstand door [appellant].