Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 3],wonende te [woonplaats],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/253606/HA ZA 12-613)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaardingen in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memories van antwoord van [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] (met een productie);
- het pleidooi, waarbij VSM, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] pleitnotities hebben overgelegd;
- de door VSM bij H12 formulier van 18 december 2014 toegezonden drie producties en de door [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] bij H12 formulieren van respectievelijk 22, 30 en 23 december 2014 toegezonden producties, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht.
3.De beoordeling
“a. inventariseer de financiële situatie bij VSM en (…) VSMB en doe voorstellen met het oog op het verbeteren van de financiële situatie bij VSM en VSMB c.q. het voorkomen van het verder verslechteren daarvan. (…)”.
“(…) heb geconstateerd dat er sinds ik mijn opdracht heb van De Nederlandsche Bank forse bedragen zijn overgemaakt aan [OMG]. Dat is in weerwil van de tussen ons gemaakte afspraken (…) U mag van mij niet meer zulke betalingen verrichten en ook overigens geen betalingsverkeer meer doen zonder dat ik daarvan op de hoogte ben). (…)”
‘Afrekening [pand]’. (prod. 35 inl. dagv.)
t.a.v. de Wft als grondslag:
- dat het alsnog aan crediteuren van VSM betaalde bedrag € 34.735,= geen betaling in strijd met de instructies van de curator inhoudt (r.o. 3.23);
- dat [geïntimeerde 2] ten aanzien van het resterende bedrag van € 168.462,50 wel heeft gehandeld in strijd met de instructies van de curator (r.o. 3.24);
- dat onvoldoende is onderbouwd dat VSM door het handelen van [geïntimeerde 2] schade heeft geleden en de vordering, voor zover gegrond op art. 1:76 lid 6 onder Pro Wft, wordt afgewezen (r.o. 3.28);
- dat hetzelfde geldt ten aanzien van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] en door VSM bovendien onvoldoende is onderbouwd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] ter zake de gewraakte rechtshandelingen als feitelijk leidinggevenden van VSM konden worden beschouwd (r.o. 3.29);
- dat voor persoonlijk onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 2] onvoldoende bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd (r.o. 3.30);
- dat onvoldoende is onderbouwd dat VSM of een van de andere vennootschappen schade hebben geleden en aan de vraag of [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 3] onrechtmatig handelen kan worden verweten niet wordt toegekomen (r.o. 3.31).
4.De uitspraak
- voor [geïntimeerde 1] op € 1.601,= aan verschotten en € 9.789,= aan salaris advocaat;
- voor [geïntimeerde 2] op € 1.601,= aan verschotten en € 9.789,= aan salaris advocaat;
- voor [geïntimeerde 3] op € 1.601,= aan verschotten en € 9.789,= aan salaris advocaat;