In deze civiele zaak stond de uitleg van cao-bepalingen omtrent shuttlevervoer en diverse loonvorderingen centraal. Appellanten stelden dat het vervoer van vliegveld Weeze naar Amsterdam als groepsvervoer moest worden gekwalificeerd, wat hogere beloningen zou rechtvaardigen. Het hof oordeelde dat dit vervoer gezien moet worden als pendelvervoer, mede vanwege het internationale karakter en de aard van de reizigers.
Daarnaast werden vorderingen over onderbrekingstoeslag, onregelmatigheidstoeslag, overwerk, jaarurenregeling en doordeweekse rustdag besproken. Het hof vond onvoldoende duidelijkheid over de inhoudelijke interpretatie en betaling van deze toeslagen en wees deze vorderingen af. Ook vorderingen over het toekennen en opnemen van halve compensatiedagen werden afgewezen wegens gebrek aan nadere toelichting.
De arbeidsovereenkomst en loonbetalingen aan appellant 1 bleken onduidelijk, met onvoldoende bewijs voor een hoger aantal betaalde uren dan 32 per week. Ook een vergoeding voor reiskosten voor een opleiding werd afgewezen omdat de opleiding niet op verzoek van de werkgever was gevolgd.
Uiteindelijk wees het hof alle vorderingen af, behalve die over onterecht aangewezen compensatiedagen en pauzes tussen diensten. De zaak werd verwezen naar de rol om een berekening van de toewijsbare bedragen te geven, waarna BBA een antwoordakte mag nemen. Het hof gaf partijen in overweging de procedure in onderling overleg te beëindigen.