Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak- en rolnummer C/01/221977/ HA ZA 11-3)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis, met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte houdende wijziging van eis met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met een productie;
- de akte uitlating producties van HE van 30 december 2014;
- akte houdende productie van [appellant] van 25 februari 2015.
3.De beoordeling
de grieven 1 en 2 in principaal appel, gericht tegen het tussenvonnis van 20 maart 2013 (rov. 4.2, 4.3, 4.4, 4.16). Een aantal vorderingen tot verklaring voor recht (primair A, B en C) is aan deze vraag ontleend.
met de eventueel daarboven te realiseren appartementen’in artikel 8 lid 3 in Pro de overeenkomst van 28 januari 1999 komen niet terug in artikel 2 van Pro de overeenkomst van 2 juli 1999. Daarmee vervalt het eerste recht van koop op een onbepaald aantal appartementen boven de percelen [perceel A] [percelen 1 tot en met 5] (behoudens de hierna te noemen 8 appartementen). Het aantal ‘eventueel daarboven te realiseren appartementen’ blijkt na de in 2010 gerealiseerde bouw uiteindelijk 16 te zijn.
De in dit artikel genoemde prijzen zijn gebaseerd op het prijsniveau 1998. Dit prijsniveau wordt jaarlijks verhoogd conform het prijsindexcijfer voor de bouwnijverheid.
grief 3 en 4 (en grief 8) in principaal appeltegen de oordelen van de rechtbank in de rov. 4.7 en 4.8 van het vonnis van 20 maart 2013.
bovende commerciële ruimte. Anders dan [appellant] meent (primair punt I van het petitum mvg) dienen de grondkosten ook te worden omgeslagen over de appartementen. Van een dubbeltelling is dan geen sprake.
grieven 3 en 7 in incidenteel appelhebben betrekking op deze kwestie.
grief 1 in incidenteel appelen in eerste aanleg) met betrekking tot het feit dat het recht van eerste koop niet exclusief is maar gezamenlijk met de juridisch eigenaar van [perceel 3] overweegt het hof aldus. Gesteld noch gebleken is dat deze eigenaar (of haar rechtsopvolgster; HE stelt dat zij dat is) aanspraak heeft gemaakt op het recht van eerste koop. Onder deze omstandigheid kan [appellant] het recht alleen uitoefenen.
grief 7 in principaal appelkeert [appellant] zich tegen hetgeen door de rechtbank is overwogen en beslist in rov. 4.13 van het tussenvonnis van 20 maart 2013 (waarop rov. 2.18 van het vonnis van 20 maart 2013 voortbouwt), luidende:
“op basis van de gebruikelijke voorwaarden en bedingen zoals die in een bouwplan zullen gelden”in de overeenkomsten van 28 januari 1999 en 2 juli 1999 door [appellant] niet behoefde te worden opgevat als een prijsbepalend beding. Uit de tekst van deze passage volgt al niet dat die betrekking heeft op de prijs. Verder heeft HE niet gesteld of onderbouwd dat ten tijde van de onderhandelingen over de overeenkomst van 28 januari 1999, die is voortgezet in die van 2 juli 1999, nieuwe afspraken zijn gemaakt over de koopprijs.
voorwaardelijk ingestelde grief 10 in principaal appelbetreft het door hem gelegde beslag.
grief 12 in incidenteel appelkeert HE zich tegen hetgeen de rechtbank in de rov. 2.24 en 2.25 van het vonnis van 29 januari 2014 heeft geoordeeld ten aanzien van de vordering tot opheffing van het door [appellant] gelegde beslag op de andere ruimten (8 appartementen in Blok [blok 1] , 3 commerciële ruimten in Blok [blok 2] (412 m2), Blok [blok 1] (173 m2) en Blok [blok 1] (1040 m2). HE vordert onder 5 van haar petitum, kort gezegd, te verklaren voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door dit leveringsbeslag te leggen en dat hij aansprakelijk is voor de schade.