Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 2609801 CV EXPL 13-10566)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met een productie.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak ging het om een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in een verzetprocedure, voorafgegaan door een verstekprocedure. De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde bedroeg een hoofdsom van €863,50 met contractuele rente en incassokosten.
De kantonrechter had in het verstekvonnis de vordering toegewezen en in het verzetvonnis van 9 april 2014 de vordering opnieuw bevestigd met een hoofdsom van €863,50 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 september 2010 en buitengerechtelijke incassokosten van €129,53.
Appellant stelde in hoger beroep het vonnis aan te vechten en verzocht tot vernietiging en afwijzing van de vorderingen. Geïntimeerde stelde echter dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat de waarde van de vordering inclusief rente onder de wettelijke appelgrens van €1.750,-- bleef.
Het hof oordeelde dat de vordering inclusief rente inderdaad aanzienlijk minder bedroeg dan de appelgrens, waardoor geen hoger beroep openstond. Daarom verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk en veroordeelde hem in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens vordering onder de appelgrens van €1.750,--.