Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Zeeland-West-Brabant, waarin verdachte werd veroordeeld voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden vanwege een mededeling van de politie aan zijn raadsman dat hij niet vervolgd zou worden. Het hof oordeelde dat deze mededeling, gedaan aan de secretaresse van de raadsman en zonder nadere toelichting, niet kon worden opgevat als een toezegging en dat verdachte hier geen gerechtvaardigd vertrouwen aan kon ontlenen.
Daarnaast stelde de verdediging bewijsuitsluiting voor omdat een lid van het arrestatieteam onrechtmatig zou hebben gehandeld door te blijven zoeken in de woning nadat verdachte was aangehouden. Het hof hechtte geloof aan de verklaring van het arrestatieteamlid en oordeelde dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen. De verdediging kon op die grond niet tot vrijspraak komen.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter en veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden wegens het bezit van vuurwapens en munitie van categorie II en III. De uitspraak werd gedaan door mr. A.R. Hartmann, voorzitter, met mr. J. Huurman-van Asten en mr. B.F. de Poorter als raadsheren.