Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
1.Het verloop van de procedure
- voornoemde dagvaarding van 5 april 2013;
- de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd;
- de memorie van antwoord, waarbij producties zijn overgelegd;
- de zijdens [appellanten] genomen akte;
- de door [geïntimeerde] genomen antwoordakte
2.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 227851 / 11-4696)
3.De gronden van het hoger beroep
), (…)”.
“Partij B krijgt kopieën en inzage in alle correspondentie (zowel digitaal als per post; vanaf het moment van “blind” zijn van partij B)”. Deze afspraak is echter niet, zoals zij aanvoeren, onbepaalbaar, maar te ruim. Een uitleg van deze bepaling aan de hand van de hiervoor in r.o. 4.6.1 gegeven maatstaf brengt met zich dat [geïntimeerde] in deze bepaling het recht krijgt op inzage in die stukken die voor hem van belang zijn gelet op hetgeen verder in de beëindigingsovereenkomst is bepaald.
De toegekende jaarlijkse claim en/of aanspraken (…) blijven op zijn minst 10 jaar te bestaan (…)” in strijd is met art. 3:307 BW Pro en dus nietig.
een zakelijk recht met preferente rechten” te maken. Het is onmiskenbaar de bedoeling geweest om met deze woorden [geïntimeerde] extra zekerheid te verschaffen. Het feit dat deze zekerheid niet op deze wijze kan worden geschapen, lijdt niet tot enig nadeel aan de zijde van [appellanten] , noch tot het niet kunnen bepalen van welke verbintenis dan ook. Dit betekent dat het feit dat deze bepaling van geen waarde is, niet kan leiden tot de conclusie dat enige verbintenis niet bepaalbaar is.
“(…) op enige partij A, C, C nieuwe en/of elke andere partij of partijen welke een voortzetting is van een van de hiervoor genoemde partijen (…) blijven op zijn minst 10 jaar te bestaan (…)”. Zie wat dit betreft ook nr. 8 in de dagvaarding in eerste aanleg waar ook [geïntimeerde] stelt dat hij ingevolge art. 6 van Pro de beëindigingsovereenkomst recht heeft op vergoeding van 2% van de omzet gedurende ten minste 10 jaar. Het feit dat de samenwerking niet langer dan tien maanden heeft geduurd is niet voldoende, mede bezien in het licht van het feit dat [geïntimeerde] heeft bijgedragen aan het feit dat [appellanten] het door hen geïnvesteerde geld niet hebben verloren en dat [appellanten] niet hebben hoeven over te gaan tot het ontslaan van zeven werknemers, om wat dit betreft van misbruik te spreken. Het hof acht het afgesproken omzetpercentage van 2, met een minimum bedrag van € 2.000,- per jaar, mede gelet op de gegeven cijfers (in r.o. 7.2 van het tussenvonnis van 25 juni 2012 is als omzet over 2010 vermeld € 193.353,- en over 2011 in elk geval € 233.408,-), evenmin zodanig hoog dat daaruit kan worden geconcludeerd tot misbruik, zodat ook het beroep op misbruik van omstandigheden faalt. [appellanten] hebben in het kader van misbruik van omstandigheden nog aangevoerd dat de overeenkomst waarmee partijen de vennootschap onder firma zijn aangegaan, in de artikelen 13 en 14 al voorzag in de gevolgen van beëindiging en voortzetting van [Pakketservice] . [geïntimeerde] had [appellanten] hier op moeten wijzen. Het hof gaat aan deze stelling voorbij. Niet alleen vindt de stelling geen steun in het recht, maar, zo die verplichting rechtens al wel zou bestaan, leidt schending daarvan niet tot misbruik van omstandigheden.