Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- van 1 juli tot en met 31 juli 2014, althans een door het hof te bepalen datum c.q. periode, op nihil althans op € 100,- wordt vastgesteld, althans op een zodanig bedrag wordt vastgesteld als het hof juist acht;
- van 1 augustus 2014, althans een door het hof te bepalen ingangsdatum, op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht,
- de man, bijgestaan door mr. Floor;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Martens.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 juli 2014;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 6 mei 2015;
- het V2-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 6 mei 2015;
- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 7 mei 2015.
3.De beoordeling
- Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat rekening dient te worden gehouden met € 395,83 per maand aan betaalde hypotheekrente ter zake de hypothecaire geldlening bij de bank Sparkasse [vestiging] met rekeningnummer [rekeningnummer Sparkasse] .
- Het hof houdt geen rekening met € 122,92 per maand aan betaalde hypotheekrente ter zake de hypothecaire geldlening bij de bank Sparkasse [vestiging] met rekeningnummer [rekeningnummer hypothecaire geldlening Sparkasse] . De man heeft immers ter zitting te kennen gegeven dat hij deze geldlening is aangegaan om (aan de vrouw) achterstallige alimentatie en een overbedelingsuitkering te kunnen voldoen.
- Het hof houdt rekening met € 125,- per maand aan maandelijkse inleg op de opbouwspaarrekening (“Sparvertrag”) bij de bank Sparkasse [vestiging] met rekeningnummer [opbouwspaarrekening Sparkasse] . Hoewel de vrouw heeft aangevoerd dat dit als vermogensvorming dient te worden aangemerkt, overweegt het hof dat – zoals de man terecht heeft aangevoerd – deze spaarrekening verplicht gekoppeld is aan de hypothecaire geldlening en de man verplicht is om daarmee (uiteindelijk) een deel van die hypothecaire geldlening af te lossen. Het hof is derhalve van oordeel dat met deze kosten, als redelijke woonlasten, rekening dient te worden gehouden.
- Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat geen rekening dient te worden gehouden met servicekosten ad € 140,- per maand. Overige (volgens de man) gederfde opbrengsten in de periode van 1 juni 2013 tot 31 december 2013 laat het hof buiten beschouwing, aangezien – zoals de vrouw terecht heeft aangevoerd – deze dervingen voor de periode die in geschil is niet relevant zijn.
- Het hof houdt geen rekening met de door de man aangevoerde eenmalige kosten in verband met de overdracht van de woning aan mevrouw [partner] in het kader van de scheiding van tafel en bed, nu dit incidentele kosten betreft en de man niets heeft aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat deze kosten prioriteit behoren te hebben op de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw.
- Het hof laat de door de man aangevoerde bankkosten ad € 3,- per maand buiten beschouwing, gelet op de te verwaarlozen invloed van die kosten op de hoogte van de draagkracht van de man, door de man ter zitting erkend.
- € 1.064,- in periode 1;
- € 132,- per maand in periode 2.
- het op (voor wat betreft de Wet werk en bijstand c.q. Participatiewet gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de ondergrens woonkostencomponent;
- huur ad € 246,94 per maand;
- € 126,55 per maand aan premie ziektekostenverzekering en een gemiddelde zorgtoeslag van gemiddeld € 74,- per maand, minus € 39,- per maand zijnde het in het Wwb-normbedrag c.q. normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande,
- € 1.520,- in periode 1;
- € 1.026,- in periode 2.