Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
–op andere gronden
-worden bekrachtigd.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van [appellante] tegen de afwijzing van haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Limburg. [Appellante] heeft een hersenbloeding gehad met cognitieve stoornissen en wordt ondersteund door een beschermingsbewindvoerder en mentor. Zij betoogt dat haar medische situatie haar niet mag beletten toegelaten te worden tot de regeling.
De rechtbank wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen. Het hof bevestigt dit oordeel en benadrukt dat een aanzienlijk deel van de schulden, waaronder een grote schuld aan het Waarborgfonds Motorverkeer en boetes van het CJIB, is ontstaan door onverzekerd rijden en derhalve niet te goeder trouw.
Het hof overweegt dat de vijfjaarstermijn in artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro strikt moet worden toegepast en dat de aard en omvang van de schulden en het gedrag van [appellante] hierbij doorslaggevend zijn. Gezien het ontbreken van bewijs dat zij al in 2010 ernstige psychische problemen had, voldoet zij niet aan het vereiste van te goeder trouw zijn. Het hof laat de toetsing aan de overige voorwaarden achterwege en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling af wegens niet te goeder trouw ontstane schulden.