Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 10 februari 2015;
- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 28 mei 2015.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een minderjarige onder toezicht is gesteld voor de duur van één jaar. De moeder van het kind betwist deze beslissing en voert aan dat zij inmiddels voldoende geleerd heeft en in staat is het kind goede zorg te bieden, mede ondersteund door een sociaal netwerk en begeleiding van Prisma.
De Raad voor de Kinderbescherming en de betrokken stichting benadrukken echter dat ondanks de positieve ontwikkelingen het risico op bedreiging van de ontwikkeling van het kind blijft bestaan vanwege de cognitieve beperkingen van de moeder en haar verleden met oudere kinderen die uit huis geplaatst zijn. De moeder accepteert nu wel de noodzakelijke intensieve hulpverlening, maar het is van belang dat deze begeleiding voortduurt en dat er zicht blijft op de opvoedsituatie.
Het hof overweegt dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de bedreigingen in de ontwikkeling van het kind af te wenden en dat een termijn van één jaar passend is. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd. Het hof benadrukt dat de moeder binnen een aanvaardbare termijn in staat moet zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, mits zij open blijft staan voor hulp en advies.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling van het kind voor de duur van één jaar vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en het blijvend noodzakelijke toezicht.