Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/261815/HA ZA 13-215)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven, tevens houdende aanvulling van eis (met zes producties);
- de memorie van antwoord (met een productie);
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij H12 formulier d.d. 30 december 2014 door NVT toegezonden productie, die NVT bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
‘het gezamenlijk ten behoeve van en voor rekening van de individuele leden afzonderlijk plaatsen van orders, het doen produceren van meubelen en woningtextielzaken (...)’NVT was lid van IMG.
reden “(…) dat van ons als vereniging redelijkerwijs niet kan worden gevergd het lidmaatschap langer te laten voortduren. (…)”IMG voerde een viertal gronden aan die volgens haar zowel ieder voor zich als gezamenlijk tot dat standpunt leidden. IMG verweet [directeur van NVT B.V.], kort samengevat: (1) dat zij had vernomen dat NVT lid van een andere inkoopgroep zou worden, (2) dat [directeur van NVT B.V.] bonusbetalingen in MKB BV (hof: Mondial Keukens Benelux B.V., waarin [N Holding] aanvankelijk 60% van de aandelen had en Euretco en IMG elk 20% en welke aandelen [N Holding] bij koopovereenkomst van 13 oktober 2004 aan Euretco B.V. (verder: Euretco) heeft verkocht voor een koopsom van € 2.700.000,= en op 12 november 2014 aan Euretco heeft geleverd) had gelaten die volgens IMG aan leden van IMG hadden moeten worden uitgekeerd, (3) dat dientengevolge sprake was van een te hoog voorgestelde vermogenspositie van MKB BV, (4) dat [directeur van NVT B.V.] zich ten koste van andere IMG leden had verrijkt met betalingen die in verband met de toewijzing van meubelverkooppunten aan IMG-leden waren bedongen.
“(…) Daarnaast dient u er rekening mee te houden, dat het bestuur ertoe neigt om in geval van een juridische procedure over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap van u en/of [NVT] BV. (…)”
vordering I:verklaring voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap ongeldig was en
vordering II:verklaring voor recht dat de opzegging van 20 juli 2005 jegens NVT onrechtmatig was. De rechtbank legde vordering I uit als een beroep op de vernietigbaarheid van het besluit als bedoeld in art. 2:15 BW Pro en overwoog dat die vordering moet worden afgewezen omdat NVT niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW Pro een vordering tot vernietiging van het besluit had ingesteld en de door NVT gevorderde verklaring voor recht materieel eenzelfde andere strekking heeft. Tegen dit oordeel (en de daarop voortbouwende afwijzing van de desbetreffende vordering) is door NVT geen grief gericht, zodat vordering I in hoger beroep verder niet ter discussie staat.
vordering IIaldus begreep dat NVT stelde dat de opzegging onrechtmatig was omdat de gehanteerde opzeggingsgronden onjuist en ongefundeerd waren dan wel de beëindiging van het lidmaatschap redelijkerwijs niet konden dragen (r.o. 3.7 tussenvonnis 29 juli 2009). De rechtbank honoreerde in het tussenvonnis ten aanzien van de opzeggingsgronden 1 en 4 het standpunt van NVT, dat die gronden de opzegging niet konden dragen. De rechtbank hield, verwijzende naar een door partijen daartoe op de comparitie in eerste aanleg gemaakte afspraak, een oordeel over opzeggingsgronden 2 en 3 (en over de gronden in onderlinge samenhang bezien) aan in afwachting van (in elk geval) een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in het op dat moment bij dat hof aanhangig hoger beroep in de zaak tussen [N Holding] en Euretco betreffende de betalingsverplichtingen van Euretco voor de door [N Holding] aan Euretco overgedragen aandelen MKB BV (toev. Hof: de zaak waarin na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad het in r.o. 3.1.1 onder i genoemde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is gewezen).
- te verklaren voor recht dat IMG zich jegens NVT onrechtmatig althans onzorgvuldig heeft gedragen, althans niet zodanig heeft gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd door haar lidmaatschap van IMG per 20 juli 2005 met onmiddellijke ingang op te zeggen en bij die opzegging te volharden, en
“De raadslieden van partijen verklaren zich er mee akkoord dat de rechtbank vervolgens in het te wijzen vonnis enkel oordeelt over de kwestie van de (rechts)persoon als lid van IMG en over de kwestie van de vernietiging van het besluit ex art. 2:15 BW Pro. Ter zake van de overige, materiële geschilpunten zal bij het te wijzen vonnis de zaak worden verwezen naar de parkeerrol, in ieder geval in afwachting van het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in de lopende procedure tussen [N Holding] BV en Euretco BV, waarbij het deels om hetzelfde materiële onderwerp gaat, zulks ter voorkoming van tegenstrijdige oordelen.”
“Art 2:8 lid 2 bevat Pro een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het stemt wat dit betreft overeen met de leden 2 van art. 6:2 en Pro 6:248. Het is vooral van belang omdat art. 2:15, anders dan art. 11 (oud), niet de mogelijkheid kent van een beroep op vernietigbaarheid van een onbillijk werkend besluit bij wijze van verweer (….)”(MvT, Kamerstukken II 17 725, nr. 1-3, p. 58).
: “Daarnaast dient u er rekening mee te houden, dat het bestuur er toe neigt om in geval van een juridische procedure over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap van u en/of [NVT] BV.” –in welke zinsnede wordt gedoeld op de discussie tussen [N Holding] en Euretco over de koopprijs voor de door [N Holding] overgedragen 60% van de aandelen MKB BV – laat daarover geen twijfel bestaan. In het licht van voormelde productie heeft IMG haar betwisting van die andere motieven onvoldoende gemotiveerd betwist.
‘haar stelling dat IMG in strijd met art. 2:8 BW Pro heeft gehandeld althans onrechtmatig heeft gehandeld, dan ook onvoldoende feitelijk (heeft) onderbouwd’. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de in hoger beroep gewijzigde vordering II toewijzen als in het dictum nader aan te geven.