Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- voornoemde dagvaarding van 5 maart 2013;
- een memorie van grieven, waarbij een productie is overgelegd;
- een memorie van antwoord.
2.Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 238231 / HA ZA 11-1588)
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
voor rekening van Bemo bleef inzake de schadegebeurtenis (…) waarbij de (…) auto (…) door brand beschadigd raakte, te verhalen”. Uitleg van een en ander aan de hand van strenge eisen (zie HR 22 oktober 2004, NJ 2004, 202) brengt het hof tot het oordeel dat reeds bij dagvaarding in eerste aanleg voldoende duidelijk was dat Achmea tevens optrad in de hoedanigheid van gevolmachtigde van een conglomeraat zich noemende Bemo & Loven Beheer B.V., waartoe in elk geval behoorde Bemo, zijnde Bemo Bedrijfswagens B.V. De rechtbank heeft Achmea dan ook terecht in haar vordering ontvangen, zodat de tweede grief faalt.
Ter plaatse van het spatbord zou het een koud kunstje zijn geweest om met het luchtpistool de zaak schoon te spuiten. Sinds dat we dit probleem weten, na de brand, gebeurt dat ook.”
.De stelling van Daf dat voor het ontstaan van de brand een voldoende massa (brandbaar) vuil aanwezig moet zijn geweest, dat de gebruiker dit had kunnen waarnemen en vervolgens had moeten verwijderen, acht het hof niet van belang. De gebruiker van de auto mag er immers van uitgaan dat de auto zodanig is geconstrueerd dat zij veilig en zonder nader te treffen maatregelen aan de oplegger gekoppeld kan blijven bij het laden van droog en brandbaar materiaal als stro, waarna dit zou worden vervoerd. Mogelijk zou dat bij een specifieke, uitdrukkelijke en in niet mis te verstane bewoordingen gegeven waarschuwing anders zijn, maar een dergelijke waarschuwing is aan [de chauffeur] noch aan Bemo Bedrijfswagens B.V. gegeven. Dit verwijt treft dan ook geen doel. Het hof verwijst in dit kader ook nog naar hetgeen hiervoor in de laatste alinea van r.o. 4.6 is vermeld.