Uitspraak
7.Het verdere verloop van de procedure
- het tussenarrest van 11 maart 2014;
- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties E t/m L en twee grieven in incidenteel appel);
- de memorie van antwoord in incidenteel appel;
- het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;
8.De verdere beoordeling
“OordeelWij zijn van oordeel dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstelling van het vermogen op 31 december 2001 en van het resultaat over 2001 in overeenstemming met in Nederland algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 Boek 2 BW.ToelichtingZonder afbreuk te doen aan ons oordeel vestigen wij de aandacht op de paragraaf “financiering” zoals opgenomen onder ‘kortlopende schulden’ in de toelichting op de jaarrekening.”De paragraaf “financiering” luidt, voor zover van belang:
“Hoewel op 25 april 2002 EUR 3,1 miljoen is verkregen ter versterking van de vermogenspositie (…), blijft de financiering van de onderneming een belangrijk punt van aandacht. De directie treft een aantal maatregelen om de liquiditeitspositie te verbeteren.”
dat de negatieve marktontwikkelingen zo dominant waren dat daarin hoe dan ook een belangrijke oorzaak van het faillissement gelegen was(7.1 tussenvonnis 28 november 2012). Aan deze bewijsopdracht legde de rechtbank ten grondslag, kort samengevat, dat vaststond dat negatieve marktontwikkelingen mede oorzaak zijn geweest van het faillissement maar dat daarmee nog niet aannemelijk kan worden geacht dat die negatieve ontwikkeling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest en dat dit alleen het geval is indien die negatieve ontwikkelingen ook bij een voldoende slagvaardig bestuur tot faillissement zouden hebben geleid (r.o. 4.10 t/m 4.10.2 tussenvs 28 november 2012).
Blue Tomato), volstaat voor het ontzenuwen van het in art. 2:248 lid Pro 2 (i.c. 2:138 lid 2) BW neergelegde vermoeden dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Indien de curator de bestuurder verwijt dat hij heeft nagelaten het intreden (van de nadelige gevolgen van) die oorzaak te voorkomen, dient de bestuurder tevens feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig aannemelijk te maken) waaruit blijkt dat hij niet heeft nagelaten of dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als de bestuurder hierin slaagt, zal vervolgens de curator op de voet van art. 2:248 lid Pro 1 (i.c. 2:138 lid 1) aannemelijk moeten maken dat nochtans de – ingevolge het onweerlegbare wettelijk vermoeden van art 2:248 lid 2 dan Pro wel art. 2:138 lid 2 BW Pro - kennelijke onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke faillissementsoorzaak is geweest. [appellant] stelt terecht dat met de in het tussenvonnis van 28 november 2012 gegeven bewijsopdracht een zwaardere bewijslast op hem wordt gelegd dan met voormelde arresten van de Hoge Raad in overeenstemming is. De negatieve marktontwikkelingen zijn door de curator als zodanig niet betwist. Evenmin is door de curator betwist dat economisch slechtere tijden aan een deconfiture kunnen bijdragen (concl.v.repliek 84). Tegenover de stellingen van de curator behoefde van [appellant] niet meer te worden verlangd dan dat hij feiten en omstandigheden stelt n aannemelijk maakt waaruit blijkt dat hij niet heeft nagelaten op de negatieve marktontwikkelingen in te spelen, althans hem op dat punt geen onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten. In de rechtsoverwegingen 4.10.3 en 4.10.4 van het betreffende tussenvonnis gaat de rechtbank daarvan ook uit.
‘dat er een duidelijk causaal verband is tussen het in de periode van [CEO] gevoerde bestuur en het faillissement’had dienen te substantiëren. Nu [appellant] voor die stelling geen, althans onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd, kwam de rechtbank op dat punt terecht niet tot een bewijsopdracht.
handelingen, door de schuldenaar met medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders verricht, worden beschouwd als handelingen van de curator en boedelschulden, gedurende de surseance ontstaan, zullen ook in het faillissement als boedelschulden gelden’,en schaart het aan Aino te verwijten nalaten onder dergelijke aan de curator toe te rekenen handelingen.
Koot Beheer/Tideman q.q., ECLI:NL:HR:2013:BY6108) heeft de Hoge Raad zich nader uitgesproken over de vraag wanneer sprake is van boedelschulden. De Hoge Raad kwam daarmee terug op het eerdere 'toedoencriterium' zoals dat was geformuleerd in HR 28 september 1990, LJN AD1243, NJ 1991/305 (De Ranitz q.q./Ontvanger), HR 12 november 1993, LJN ZC1136, NJ 1994/229 (Frima q.q./Blankers-Van Gennip) en HR 18 juni 2004, LJN AN8170, NJ 2004/617 (Circle Plastics), zulks mede naar aanleiding van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest van 19 april 2013 genoemde kritiek die in de literatuur op dat criterium was geuit. In het arrest van 19 april 2013 overwoog de Hoge Raad:
“3.7.1. (…) Op grond van die wet (toev. Hof: de Faillissementswet) zijn boedelschulden slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en Pro 35 BW).”
“3.7.2 Vorderingen die een boedelschuld opleveren, moeten worden onderscheiden van vorderingen op de schuldenaar, met het oog op de voldoening waarvan de vereffening van de boedel plaatsvindt. Vorderingen die voortvloeien uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de schuldenaar en die geen boedelschuld opleveren op een van de hiervoor in 3.7.1 vermelde gronden, behoren tot bedoelde vorderingen op de schuldenaar, ook als ze pas tijdens het faillissement ontstaan, zoals onder meer blijkt uit art. 37 en Pro 37a Fw en de op art. 37 Fw Pro gegeven toelichting (Van der Feltz I, p. 409).”