In deze civiele zaak heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Limburg bekrachtigd waarin het verzoek van appellant tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Appellant had een totale schuldenlast van € 96.646,72, waaronder een grote belastingschuld en een schuld aan het CJIB. De rechtbank oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen.
Appellant erkende zijn langdurige psychosociale problematiek, waaronder depressief gedrag, ADHD en manisch-depressieve klachten, maar stelde dat hij ondanks deze problemen in staat was zijn schulden te voldoen en maatschappelijk te functioneren. Hij kreeg ondersteuning van een beschermingsbewindvoerder en een maatschappelijk ondersteuner en was bereid te solliciteren en werken.
Het hof oordeelde echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van zijn belastingschuld en de schuld aan het CJIB, omdat hij de ontstaansgeschiedenis daarvan niet had onderbouwd met verificatoire bescheiden. Daarnaast was niet gebleken dat zijn psychosociale problematiek beheersbaar was, mede omdat geen verklaring van een deskundige hulpverlener was overgelegd. De verklaring van de beschermingsbewindvoerder volstond niet.
Het hof benadrukte dat psychosociale problemen op zichzelf geen belemmering hoeven te zijn voor toelating tot de regeling, mits deze beheersbaar zijn en door een deskundige worden bevestigd. Het verzoek werd daarom afgewezen, maar appellant kan opnieuw verzoeken indien hij aan de gestelde voorwaarden voldoet.