Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1],wonende te [woonplaats],
[appellante 2],wonende te [woonplaats],
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/192648/KG ZA 14-336)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende verzoek descente ex artikel 201 Rv Pro;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
3.De beoordeling
in het gebied dat aan de onderzijde is begrensd door de onderkant van de schutting en de lijn die daarvan loodrecht omhoog getrokken kan worden en daarmee de scheiding tussen de percelen vormt” (blz. 3 2e alinea mvg). [appellanten] betwisten niet dat zich in het door hen aangeduide gebiedsdeel in de tuin van [geïntimeerden] zaken van [appellanten] bevinden. De schutting is overigens van [geïntimeerden], aldus [appellanten]