De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar verzoek om partneralimentatie had afgewezen na de echtscheiding die op 21 mei 2014 is ingeschreven. De vrouw vordert een maandelijkse bijdrage in haar levensonderhoud, welke zij nader heeft geconcretiseerd.
Partijen zijn gehuwd sinds 1986 en zijn gescheiden bij beschikking van 7 januari 2014. De vrouw stelt een behoefte te hebben van €1.822,71 bruto per maand tot 1 oktober 2014 en €1.581,71 daarna, terwijl haar inkomen €942 netto bedraagt. De man betwist de noodzaak van langdurige alimentatie en stelt dat de vrouw binnen twee jaar in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien, mede gezien haar leeftijd en mogelijkheden tot werken.
Het hof oordeelt dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich inspant om in haar behoefte te voorzien, maar dat het niet aannemelijk is dat zij binnen twee jaar het wettelijk minimumloon zal verdienen. De draagkracht van de man is vastgesteld op €779 bruto per maand. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt dat de man een bijdrage van €736 bruto per maand moet betalen tot 1 oktober 2014 en €638 bruto per maand daarna, met ingang van de inschrijving van de echtscheiding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.