Uitspraak
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 804617/rolnummer 12/708)
2.Het geding in hoger beroep
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
1.ervan toegewezen, de proceskosten in het incident tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
1.van de vorderingen van [Belegging B.V.], het verbod op verhuur aan Egomar VOF, is bij dit eindvonnis net als in het incidentele vonnis toegewezen, de overige vorderingen zijn afgewezen met compensatie van de proceskosten. Tegen de toewijzing in beide vonnissen van dit onderdeel is niet incidenteel geappelleerd zodat deze vonnissen in ieder geval op dit punt is stand blijven en dit onderwerp verder niet aan de orde komt.
2.van de vorderingen van [Belegging B.V.], zowel in de hoofdzaak als in het incident, inzake de herinrichting van de showroom. De grieven 6 tot en met 9 betreffen het oordeel van de kantonrechter dat de gevorderde boetes tot nihil gematigd dienen te worden. De overige grieven betreffen de beslissingen over de proceskosten en de dicta van het incidentele vonnis en het eindvonnis. Het hof zal de
5.) en buitengerechtelijke incassokosten (onderdeel
7.) worden deze hier reeds verworpen, aangezien deze vorderingen als onvoldoende onderbouwd niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen.
3.van de vorderingen van [Belegging B.V.]). Uit de e-mailwisseling van 23 november 2011 tot en met 2 december 2011, hiervoor onder 4.4 kort weergegeven, blijkt dat HDMG zich eigenmachtig van een huurder heeft voorzien, terwijl zij wist dat [Belegging B.V.] in onderhandeling was met Action Nederland BV. Artikel 8.1 van de ROZ-bepalingen vereist voor een huurovereenkomst als HDMG met Egomar VOF wilde sluiten een voorafgaande schriftelijke toestemming van [Belegging B.V.]. Het ligt voor de hand dat het voor een verhuurder van groot belang is inzicht te hebben in het gebruik dat van zijn bedrijfspand gemaakt gaat worden en dat hij daar zeggenschap over wenst te hebben. Het vereiste van een voorafgaande schriftelijke toestemming van de kant van de verhuurder biedt de verhuurder daartoe bij uitstek de mogelijkheid. Het is niet aan de zittende huurder om zelfstandig te beoordelen of een bepaalde onderhuurder een geschikte en voor de verhuurder aanvaardbare partij is; dat is aan de verhuurder zelf. Door dit vereiste te negeren heeft HDMG welbewust het risico genomen dat [Belegging B.V.] tegen de komst van Egomar VOF zou optreden, zoals [Belegging B.V.] ook met succes heeft gedaan door het aanhangig maken van een kort geding. HDMG heeft aldus gehandeld in strijd met artikel 8.1 van de ROZ-bepalingen, zodat zij zonder verdere ingebrekestelling de boet van artikel 8.2 verschuldigd is geworden. Hetgeen door HDMG aan verweer naar voren is gebracht rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat [Belegging B.V.] geen beroep op deze bepalingen zou toekomen.
1.en de afwijzing van onderdeel
2.van de vorderingen in stand blijven, zodat ook de compensatie van kosten in dat vonnis in stand blijft. Dit laatste betekent dat de grieven 2 en 3 falen.
1.en de afwijzing van de onderdelen
2.,
4.,
5., en
7.in stand blijven. Onderdeel
3.zal worden toegewezen als na te melden, vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd bij onderdeel
6.In zoverre slagen de grieven 6, 7, 8, 9 en 11. Dit resultaat brengt mee dat de compensatie van kosten in eerste aanleg in stand blijft, zodat onderdeel
8.wordt afgewezen en de grieven 10 en 12 worden verworpen.