Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 2179744 CV EXPL 13-6040)
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Door rugklachten is cliënt destijds uitgevallen. Nadien is cliënt geleidelijk aan gaan reintegreren in eigen werk. Dit met lichte aanpassingen vwb gewichthanteringen ed. Op dit moment werkt cliënt gedurende 5 dagen per week 7 uur per dag in de maatgevende arbeid. Dit zonder noemenswaardige problemen. Er bestaat op verzekeringgeneeskundige gronden geen aanleiding cliënt te beperken tot 7 uur werken per dag. Cliënt is belastbaar in dit werk gedurende 8 uur per dag waarbij cliënt in het werk de mogelijkheid dient te hebben zich te vertreden en geregeld van houding te wisselen. Voorts dient het werk geen langdurige statische houdingen zoals staan en langdurig werken in gebukte of ver getordeerde houding te kennen. Dit evenals zwaar tillen of dragen. (…) Cliënt is als nagenoeg volledig arbeidsgeschikt aan te merken voor de maatgevende arbeid waarbij op mineure werkonderdelen wat achterstand bestaat welke niet uitsluitend een gevolg zijn van de vigerende rugproblematiek maar zeker ook leeftijdgeïndiceerd zijn.”
“U deelde mij mede dat werknemer nog niet alle werkzaamheden zelfstandig uitvoert, maar nog hulp krijgt van een ander bij bepaalde werkzaamheden. Dhr. [appellant] deelde mij echter mede dat hij alle werkzaamheden doet. Wij hebben afgesproken dat dhr. [appellant] m.i.v. 7-12-2010 volledig inzetbaar is voor alle werkzaamheden in zijn eigen functie ged. 8 u/dag. Tot 14-1-2011 (einde wachttijd WIA) zal hij 1u/dg op proef werken en volledig hersteld worden gemeld per 14-1-2011 indien hij zonder problemen zijn eigen werk ged. 8 u/dg kan uitvoeren”.Bij brief van 24 mei 2011 aan [automobielbedrijf] heeft de bedrijfsarts geschreven dat hij nog eens voor alle duidelijkheid meedeelt dat zowel hij als het UWV [appellant] fysiek gezien volledig inzetbaar achtten per 7 december 2010 [er staat ‘2011’, maar dat moet een vergissing zijn, hof]. Verder schrijft de bedrijfsarts dat [appellant] momenteel ook nog fysiek volledig inzetbaar zou zijn, maar dat [appellant] gezien de thans [in mei 2011, zie hierna, hof] bestaande psychische beperkingen volledig arbeidsongeschikt is.
“ Afgelopen dinsdag hebben wij een gesprek gehad over een nieuwe arbeidsovereenkomst die in zal gaan in de eerste maand na twee jaar arbeidsongeschiktheid. U gaf aan volledig hersteld te zijn, en wanneer er al sprake zou zijn van beperkingen, deze aan ouderdom te wijten zouden zijn. Ik heb u herinnerd aan het gesprek met de arbeidsdeskundige en de daarin genoemde valkuil van overbelasting, een gesprek op basis waarvan u tot op dit moment ontzien wordt in de uitvoering van uw werkzaamheden in de vorm van een stagiair. U gaf aan niet gevraagd te hebben om assistentie, deze overbodig te vinden. Ik heb u gewezen op het feit dat u tijdens een Multi Momentopname zeker 8 van de 10 observatiemomenten niet technisch werkzaam was. Dit kan duiden op ontzien ten koste van productiviteit. Op dit moment moeten wij uitgaan van verlaagde productiviteit als gevolg van nog steeds aanwezige fysieke beperking. Genoemde verlaagde productiviteit moet naar onze mening vertaald worden in een daarop aangepast salaris. Mocht blijken dat er daadwerkelijk geen fysieke beperkingen aan de orde zijn, U ook een normale dan wel bovengemiddelde productiviteit laat zien zal er een herziening in positieve zin plaats vinden. U hebt het gesprek afgebroken, bij vertrek het concept meegenomen ter beoordeling door advocaat, voor rechtsbijstand.”[appellant] heeft deze arbeidsovereenkomst geweigerd en heeft zich vanwege psychische klachten met ingang van 28 februari 2011 ziek gemeld.
“Bij PsyQ [vestigingsplaats]-Depressie is sinds 27-06-2011 in behandeling uw bovengenoemde patiënt. Wij hebben de diagnose volgens de DSM IV vastgesteld: AS I (…) Depressieve stoornis, eenmalige episode (…) AS IV (…) Werkproblemen. (…) Hij meldde zich in verband met de volgende stemmingsklachten: somberheid, nergens zin in hebben, piekeren, negatieve gedachten (…). De druppel die de emmer heeft doen overlopen is een conflict met zijn werkgever. (…) Hij is uitgeblust en heeft veel boosheid en machteloosheid in zich naar aanleiding van een werkconflict. (…) Hij voelt zich als grof vuil behandeld en aan de kant gezet. Instandhoudende factoren zijn een tekortschietende coping en de volgende persoonlijkheidstrekken: vermijdend, geen prater, binnenvetter, piekeraar.”
Kamerstukken II1951/52, 881, nr. 6, p. 30) te verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de wederpartij. Daarmee strookt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft op grond van alle omstandigheden de hoogte van de schadevergoeding te bepalen. De algemene regels van Boek 6 BW zijn op de begroting van de schadevergoeding van toepassing. Derhalve moet de rechter de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 7:97 BW Pro). Alleen indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat.