ECLI:NL:GHSHE:2014:4507

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 oktober 2014
Publicatiedatum
31 oktober 2014
Zaaknummer
F 200.143.063-01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie na verruiming contactregeling en toelating tot WSNP

In deze zaak gaat het om een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie na een verruiming van de contactregeling tussen de man en zijn zoon. De rechtbank had eerder de alimentatie per 1 mei 2013 op nihil gesteld, maar de vrouw ging hiertegen in hoger beroep.

Het hof oordeelt dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden door de verruiming van de zorgregeling, waardoor de alimentatie herzien dient te worden. De zorgkorting wordt vastgesteld op 35%, wat leidt tot een alimentatiebedrag van €27 per maand voor de periode 1 juli 2013 tot 14 augustus 2014.

Vanaf 14 augustus 2014 is de man toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), waardoor zijn draagkracht nihil is en de alimentatie op nihil wordt gesteld. De beschikking van de rechtbank wordt voor het deel na 1 mei 2013 vernietigd en het hof wijzigt de alimentatie overeenkomstig.

De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de affectieve relatie tussen partijen.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt gewijzigd naar €27 per maand vanaf 1 juli 2013 tot 14 augustus 2014 en nihil vanaf toelating tot WSNP.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht
Uitspraak: 30 oktober 2014
Zaaknummer: F 200.143.063/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/271976 / FA RK 13-6541
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw],
wonende te
[woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.A.P.J. van den Biggelaar,
tegen
[de man],
wonende te
[woonplaats],
verweerder,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. van Vliet.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2014.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man in zijn verzoek tot wijziging van de kinder-alimentatie niet-ontvankelijk wordt verklaard dan wel dat het verzoek wordt afgewezen.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2014, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vrouw in het verzochte niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar grieven als onjuist, ongegrond en onbewezen af te wijzen, althans te verwerpen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de vrouw, bijgestaan door mr. Van den Biggelaar;
  • de man, bijgestaan door mr. Van Vliet.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vrouw op 11 september 2014.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:
- [de zoon] (hierna: [de zoon]) op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats].
De man heeft [de zoon] erkend en partijen oefenen sinds 5 december 2012 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] uit.
3.2.
Bij beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 december 2012, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 1 oktober 2011 een bedrag van € 179,-- per maand en met ingang van 1 januari 2012 een bedrag van € 182,-- per maand moet voldoen.
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank voornoemde beschikking van 5 december 2012 gewijzigd, voor wat betreft de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], en deze bijdrage met ingang van 1 mei 2013 nader bepaald op nihil.
3.4.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.
De grieven van de vrouw betreffen - zakelijk weergegeven - :
- wijziging van omstandigheden (grief 1);
- de draagkracht van de man (grief 2);
- het aandeel van de vrouw en haar nieuwe partner in de behoefte van [de zoon] (grief 3).
Wijziging van omstandigheden
3.6.
Tussen partijen is in geschil of er in de onderhavige zaak sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.6.1.
De vrouw erkent dat de omgangskosten – gelet op de inhoud van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2013 – zijn gewijzigd, doch zij is van mening dat het verschil voor de draagkracht van de man minimaal is en om die reden geen herziening van de kinderalimentatie rechtvaardigt. De vrouw heeft ter zitting van het hof erkend dat de huidige zorgregeling correspondeert met een zorgkorting van 35%. Zij kan zich hiermee echter niet verenigen omdat de man, naast de dagelijkse kosten, geen verdere kosten voor [de zoon] maakt. Bovendien besteedt de man [de zoon] minimaal één dag per week uit aan zijn moeder, zodat hij op die dag geen kosten voor [de zoon] heeft.
3.6.2.
De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De man stelt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden, inhoudende dat sinds de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2013 een co-ouderschapregeling tussen partijen geldt, de man vanaf 26 augustus 2013 in de schuldsanering zit, het contract van de man met zijn werkgever per 1 februari 2014 is beëindigd, de vrouw met haar nieuwe partner is getrouwd en de vrouw niet meer werkt.
3.6.3.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Vast staat dat de contactregeling tussen de man en [de zoon] bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2013 aanzienlijk is verruimd en deze regeling dientengevolge meer kosten voor de man met zich brengt. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat sprake is van een rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro, die een herbeoordeling van de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] rechtvaardigt.
Ingangsdatum wijziging
3.7.
Tussen partijen is in geschil op welke datum de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage moet ingaan.
3.7.1.
Nu sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden per 7 juni 2013, ziet het hof aanleiding om de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] te wijzigen met ingang van de eerste maand volgend op die datum, derhalve op 1 juli 2013.
Behoefte [de zoon]
3.8.
De eerder vastgestelde behoefte van [de zoon] ad € 585,-- per maand is in hoger beroep niet in geschil, zodat deze vast staat.
Draagkracht man
3.9.
Het hof stelt vast dat de man geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot zijn draagkracht. Het hof is hierdoor niet in staat om de draagkracht van de man opnieuw te berekenen, hetgeen voor zijn rekening en risico komt. Wel is in hoger beroep vast komen te staan dat door de beschikking van de rechtbank Oost Brabant van 7 juni 2013 de zorgkosten voor de man zijn gestegen en dat de man op 14 augustus 2014 is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De man heeft aangevoerd dat hij daaraan voorafgaand heeft deelgenomen aan een schuldhulpverleningstraject bij de gemeente, maar hier heeft de man evenmin stukken van in het geding gebracht, zodat het hof deze stelling van de man zal passeren. Voor zover nog sprake is van andere (financiële) wijzigingen van omstandigheden zal het hof deze, bij gebrek aan gegevens, buiten beschouwing laten.
Grief 3 van de vrouw behoeft daarom geen bespreking.
3.9.1.
Het vorenstaande brengt met zich dat het hof twee periodes onderscheidt: de periode 1 juli 2013 tot 14 augustus 2014 en de periode met ingang van 14 augustus 2014.
* de periode van 1 juli 2013 tot 14 augustus 2014
3.10.
Het hof zal in deze periode de door de rechtbank 's-Hertogenbosch in de beschikking van 5 december 2012 becijferde draagkracht van de man van € 182,-- per maand als uitgangspunt nemen.
Zorgkorting
3.11.
Ten aanzien van de kosten van de zorgregeling zal het hof de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen volgen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Nu de man ingevolge de bij de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2013 vastgestelde zorgregeling gemiddeld drie dagen per week de zorg heeft voor [de zoon], geldt een percentage van 35%, hetgeen de vrouw ook ter zitting van het hof heeft erkend. Nu de behoefte van [de zoon] € 585,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting afgerond € 205,-- per maand. Hetgeen de vrouw in hoger beroep hieromtrent verder nog heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.
3.11.1.
De rechtbank heeft bij de becijfering van de draagkracht van de man rekening gehouden met een bedrag van € 50,-- aan omgangskosten. Indien deze omgangskosten buiten beschouwing worden gelaten bedraagt de draagkracht van de man € 232,-- per maand. Het hof zal hierop de zorgkorting van € 205,-- per maand in mindering brengen.
Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] derhalve vast op € 27,-- per maand.
*de periode met ingang van 14 augustus 2014
3.12.
Vast staat dat de man op 14 augustus 2014 is toegelaten tot de WSNP. Daarmee staat naar het oordeel van het hof genoegzaam vast dat de draagkracht van de man met ingang van deze datum nihil is, nu in het algemeen in het vrij te laten bedrag in het kader van de schuldsaneringsregeling geen bedrag voor kinderalimentatie wordt opgenomen en niet is gebleken, dat dat in de onderhavige situatie anders is.
Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang 14 augustus 2014 nader zal vaststellen op nihil.
3.13.
De beschikking waarvan beroep zal, voor wat betreft de periode 1 mei 2013 tot 14 augustus 2014, worden vernietigd.
Proceskosten
3.14.
De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen een affectieve relatie hebben gehad, vergelijkbaar met die van (gewezen) echtgenoten.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 10 februari 2014, voor zover de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], in de periode 1 mei 2013 tot 14 augustus 2014 nader heeft bepaald op nihil,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt met ingang van 1 juli 2013 de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 december 2012, voor wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie;
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] zal voldoen een bedrag van € 27,-- per maand met ingang van 1 juli 2013 tot 14 augustus 2014;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.E.M. Renckens en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.