Uitspraak
s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief van de raad d.d. 21 juli 2014;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 28 juli 2014.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar ontheft van het gezag over haar minderjarige zoon, die sinds 2008 onder toezicht staat en sinds 2012 in een pleeggezin verblijft.
De moeder betwistte de ontheffing en stelde dat zij medewerking verleende aan het verblijf van haar zoon in het pleeggezin en dat het behoud van het gezag en het perspectief op gezinshereniging voorrang behoorde te krijgen. De stichting en de raad benadrukten het belang van het kind bij duidelijkheid over zijn toekomst en stabiliteit in het pleeggezin, mede vanwege zijn gedragsproblemen en hechtingsproblematiek.
Het hof oordeelde dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om haar opvoedingsplicht te vervullen, mede gelet op haar persoonlijke problemen en het gedrag van de zoon. De ontheffing van het gezag is niet in strijd met de artikelen 7 en 8 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, omdat het belang van het kind prevaleert en de biologische relatie blijft bestaan.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en benadrukt dat contactherstel tussen moeder en zoon wordt nagestreefd, waarbij de moeder een rol als ouder op afstand behoudt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontheffing van het gezag van de moeder over haar zoon en benoemt de stichting tot voogd.