Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1],wonende te [woonplaats 1],
BNM Bouwmij B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Partijen sloten op 19 maart 2010 een samenwerkingsovereenkomst met daarin twee boetebedingen ten behoeve van appellanten. De overeenkomst voorzag onder meer in de oprichting van een nieuwe bvba en maandelijkse vergoedingen aan geïntimeerde. Deze samenwerking is echter nooit daadwerkelijk van start gegaan; de bvba is niet opgericht en betalingen zijn niet verricht.
Op 5 oktober 2010 is tijdens een bespreking overeengekomen dat de samenwerking niet zou worden voortgezet. Appellanten vorderden betaling van boetes wegens vermeende overtredingen van de boetebedingen, maar het hof stelde vast dat geïntimeerde redelijkerwijs mocht aannemen dat de samenwerking en daarmee de boetebedingen niet van kracht waren.
Het hof oordeelde dat appellanten geen aannemelijke redenen hadden om de maandelijkse betalingen achterwege te laten en dat de boetebedingen niet konden worden gehandhaafd, mede gelet op de arbeidsrechtelijke kenmerken van de overeenkomst en het ontbreken van een verwijt aan geïntimeerde. De vorderingen werden afgewezen en de kosten van het hoger beroep aan appellanten opgelegd.
Uitkomst: De vorderingen van appellanten worden afgewezen omdat de samenwerking niet is geëffectueerd en de boetebedingen geen werking hebben.