ECLI:NL:GHSHE:2014:4004
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing werknemersvrijstelling erfbelasting wegens affectieve relatie en geen natuurlijke verbintenis
Belanghebbende erfde een achtste deel van de nalatenschap van erflaatster, die haar als een eigen dochter beschouwde, ondanks dat zij geen bloed- of aanverwant was. Belanghebbende had van 1966 tot 1980 in de chocolaterie van erflaatster gewerkt tegen een marktconform salaris. Na de sluiting bleef zij een goede band onderhouden en verleende belangeloos hulp.
De Inspecteur legde erfbelasting op over de verkrijging, welke belanghebbende betwistte met beroep op de werknemersvrijstelling van artikel 32 lid 1 onderdeel Pro 9 van de Successiewet 1956. De rechtbank wees het beroep af, en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof overwoog dat het salaris destijds niet te laag was en dat geen sprake was van een natuurlijke verbintenis die een vrijstelling rechtvaardigt.
De erfstelling vond plaats 28 jaar na het einde van de dienstbetrekking en was ingegeven door een affectieve relatie, niet door een arbeidsrechtelijke verplichting. Het hof concludeerde dat de verkrijging niet kan worden vrijgesteld op grond van de werknemersvrijstelling en bevestigde de aanslag erfbelasting.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag erfbelasting blijft onverminderd van kracht.