Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
,hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant was onderworpen aan een schuldsaneringsregeling die bij vonnis van 13 september 2011 was uitgesproken. De bewindvoerder verzocht tussentijdse beëindiging van deze regeling omdat appellant zijn verplichtingen niet naar behoren nakwam en een nieuwe bovenmatige schuld had laten ontstaan.
De rechtbank beëindigde de regeling op 15 oktober 2013 op grond van artikel 350 lid 3 sub c en Pro d Faillissementswet. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat hij aan zijn sollicitatieplicht had voldaan en bereid was zijn vakantiegeld in te zetten om schulden af te lossen. Tevens gaf hij aan vanaf 1 februari 2014 weer werk te hebben.
Het hof oordeelde dat appellant een nieuwe schuld van € 3.597,17 aan het CJIB had laten ontstaan, waarvoor hem een ernstig verwijt kon worden gemaakt. Daarnaast had appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoende had gesolliciteerd tijdens perioden tussen tijdelijke arbeidscontracten. Ook had hij het aanbod van de beschermingsbewindvoerder om de scooterkwestie op te lossen afgewezen, waardoor de schuld opliep.
Gezien deze feiten en het ontbreken van een plausibele verklaring, concludeerde het hof dat de schuldsaneringsregeling terecht tussentijds is beëindigd en dat verlenging niet aan de orde was. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming en het ontstaan van een nieuwe bovenmatige schuld.