Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1],wonende te [woonplaats],
[appellant 2],wonende te [woonplaats], appellanten in principaal hoger beroep,
1.[geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
[geïntimeerde 2],wonende te [woonplaats],
9.Het verloop van de procedure
10.De verdere beoordeling
niet openbaar is in de zin van artikel 4 van Pro de Wegenwet. Naar eisers onweersproken hebben gesteld is dit deel van de [straatnaam 1] pas in 2003 aangelegd en is evenmin betwist dat eisers daaraan niet de bestemming van openbare weg hebben gegeven. Het onderhavige stukje weg betreft particulier terrein van eisers, gelegen vóór hun woonperceel, op het einde van een doodlopende weg. De [straatnaam 1] staat enkel open voor bestemmingsverkeer en gelet hierop staat het laatste stukje van de [straatnaam 1] enkel open voor verkeer dat het woonperceel van eisers als bestemming heeft.”
Een weg is openbaar: I. (..); II. wanneer hij (..) gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap; III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.”
Het onder (..) II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn (..) van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.
voor een ieder toegankelijk” geweest. In de parlementaire geschiedenis bij de Wegenwet is over deze toegankelijkheid opgemerkt dat of daarvan sprake is, in ieder geval op grond van de feiten zal moeten worden beslist: “
Een toegangsweg tot eene boerderij, die slechts mag worden begaan door hen, die zich naar die boerderij wenschen te begeven, voldoet naar zijne meening, niet aan dit vereischte.” (MvA Bijl. II Hand. 1928-1929, nr 75, stuk nr. 2 blz. 4).
zonder meeris beëindigd door de opzegging door [geïntimeerden] Wel is het hof als gezegd van oordeel dat deze opzegging mogelijk is onder genoemde voorwaarden. Het hof is tot dit oordeel gekomen omdat het hof de primaire vordering zoals in eerste aanleg door [geïntimeerden] is ingesteld als volgt heeft begrepen dat [geïntimeerden] naast het gevorderde (als in r.o. 10.3.1. onder (i) weergegeven) subsidiair vorderen een verklaring voor recht dat beëindiging van het recht van uitweg onder bepaalde voorwaarden mogelijk is.
om die redenzouden moeten meebetalen aan de verwijdering ervan.