Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant],
[appellante],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak staat centraal de effectenlease-overeenkomst gesloten door appellante met Dexia, waarbij appellanten betogen dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling en het ontbreken van schriftelijke toestemming van appellant als echtgenoot. Dexia betwist dit en beroept zich onder meer op verjaring van de vernietigingsvordering.
De rechtbank wees het beroep op dwaling af en oordeelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld door tekort te schieten in haar zorgplicht, waardoor zij aansprakelijk was voor een deel van de restschuld. De rechtbank verklaarde de vernietigingsvordering verjaard en wees de primaire vordering af, terwijl zij de reconventionele vordering van Dexia deels toewijst.
In hoger beroep betwistten appellanten het oordeel over verjaring en dwaling. Het hof overweegt dat de overeenkomst voldoende duidelijk kenbaar maakte dat sprake was van een lening met belegging in effecten en dat appellante zich redelijkerwijs had moeten informeren. Het beroep op dwaling faalt daarom. Over het beroep op artikel 1:88/89 BW en de verjaring van de vernietigingsvordering is het hof van oordeel dat Dexia het bewijs moet leveren dat appellant meer dan drie jaar vóór 5 juli 2005 van de overeenkomst op de hoogte was.
Het hof acht het voorstelbaar dat appellant pas in 2005 werd geïnformeerd en laat appellanten toe tot het leveren van tegenbewijs. De zaak wordt aangehouden voor bewijslevering, met een getuigenverhoor onder leiding van een raadsheer-commissaris. Verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor bewijslevering over de kennis van appellant van de effectenlease-overeenkomst en de verjaring van de vernietigingsvordering.